5.1 wat is een verzorgingsstaat?
Nederland is een verzorgingsstaat. Dit betekent dat de overheid zich actief bemoeit met de
welvaart (inkomen en wat we kunnen besteden in ons levensbehoeftes) en welzijn (fysieke en
geestelijke gesteldheid) van zijn inwoners.
Solidariteit is er als er bereidheid is in een groep of samenleving om risico’s met elkaar te delen.
Bijvoorbeeld: iemand raakt werkeloos (of ziek) en dan krijgt hij een uitkering. Gelijkwaardigheid
is ook een belangrijke waarde in onze verzorgingsstaat. Iedereen moet gelijke kansen hebben
om een menswaardig bestaan te leiden en zich te ontwikkelen. Deze waarden horen bij onze
sociale grondrechten (recht op onderwijs, gezondheidszorg en voldoende werkgelegenheid).
Belangrijkste punten van de verzorgingsstaat:
- Onderwijs: vergroot de kans op de arbeidsmarkt en ook voordelig voor het land, want er
is een beter kans tegen concurrentielanden.
- Gezondheidszorg: vele regelingen in het land voor zieken, gehandicapten, zwangere en
ouderen.
- Sociale zekerheid: premies en belastingen worden betaald voor ziekte of werkeloosheid.
Hiervan wordt ook de AOW en de kinderbijslag betaald.
Sociale zekerheidsstelstel: mensen verzekeren van een inkomen bij werkeloosheid, ziekte,
ouderdom of arbeidsongeschiktheid
Sociale rechtsstaat: burgers hebben sociale grondrechten. Ook horen er plichten bij zoals
leerplicht en sollicitatieplicht. Als iemand geen werk zoekt, dan krijgt hij ook geen uitkering. Een
andere plicht is het betalen van premies voor de AOW en WW.
Belangrijkste sociale grondrechten:
- Voldoende werkgelegenheid
- Bestaanszekerheid en spreiding welvaart
- Bewoonbaarheid van het land en een goed leefmilieu
- Volksgezondheid en voldoende woongelegenheid
- Goed onderwijs
, 5.2 ontwikkeling van de verzorgingsstaat?
Nederland was eerst een nachtwakersstaat: een staat waarin de overheid zich beperkt tot het
handhaven van de rechtsorde. Dit bleek geen goed systeem te zijn, want voor genoeg geld
moest je lange dagen maken, een minimumloon bestond niet en kinderen moesten werken.
Door deze ontwikkeling, werden de eerste sociale wetten ingevoerd. Je kon je bijvoorbeeld
vrijwillig laten verzekeren. Na de WOII kwamen er meer rechten en inkomensverzekeringen, ook
gingen werkgevers en werknemers meer samenwerken.
Er kwamen sociale verzekeringen en arbeid beschermende wetgeving.
1854: armenwet (eerste overheidssteun voor armen)
1874: kinderwetje van Houten (geen kinderarbeid)
1895: veiligheidswet (
1901: ongevallenwet (verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid door bedrijfsongeval),
de woningwet (eisen aan de bouw van woningen en riolering) en leerplichtwet (kinderen zijn
verplicht onderwijs te volgen van 6 tot 12e levensjaar)
1917: werkloosheidsbesluit (acht weken uitkering voor werklozen)
1919: arbeidswet (beschermt belangen van werknemers)
1930: ziektewet (zorgt ervoor dat zieke werknemers recht hebben op een uitkering)
1941: kinderbijslagwet (tegemoetkoming in onderhoudskosten van een kind)
1957: Algemene ouderdomswet (regelt het verplichte, collectieve ouderdomspensioen. Zodat
mensen een uitkering krijgen na pensionering)
1965: Algemene bijstandswet (iedereen heeft recht op bijstand)
1967: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (word bedoeld voor werknemers die ziek of
gehandicapt zijn)
1980: Arbowet (bevat regels voor werknemers en werkgevers rondom gezondheid en veiligheid
van de werknemer)
1983: komst van sociale grondrechten
2006: invoering verplichte zorgverzekering
2015: participatiewet (voor iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder
ondersteuning niet redt) en leenstelstel
Liberale visie: zijn voor vrijemarkteconomie en willen collectieve uitgaven voor de
gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsel zo laag mogelijk houden. Ze vinden eigen
verantwoordelijkheid belangrijk, maar vinden wel dat er niet op onderwijs bezuinigt moet worden.
Sociaaldemocratische visie: zij willen een sturende rol van de overheid en een gemengde
economie waarin er samen wordt gezorgd voor werkgelegenheid. Ze willen een goed stelsel van
zorg en uitkeringen om sociale ongelijkheid te verminderen. Er moet volgens hen flink worden
geïnvesteerd in onderwijs.
Nederland is een verzorgingsstaat. Dit betekent dat de overheid zich actief bemoeit met de
welvaart (inkomen en wat we kunnen besteden in ons levensbehoeftes) en welzijn (fysieke en
geestelijke gesteldheid) van zijn inwoners.
Solidariteit is er als er bereidheid is in een groep of samenleving om risico’s met elkaar te delen.
Bijvoorbeeld: iemand raakt werkeloos (of ziek) en dan krijgt hij een uitkering. Gelijkwaardigheid
is ook een belangrijke waarde in onze verzorgingsstaat. Iedereen moet gelijke kansen hebben
om een menswaardig bestaan te leiden en zich te ontwikkelen. Deze waarden horen bij onze
sociale grondrechten (recht op onderwijs, gezondheidszorg en voldoende werkgelegenheid).
Belangrijkste punten van de verzorgingsstaat:
- Onderwijs: vergroot de kans op de arbeidsmarkt en ook voordelig voor het land, want er
is een beter kans tegen concurrentielanden.
- Gezondheidszorg: vele regelingen in het land voor zieken, gehandicapten, zwangere en
ouderen.
- Sociale zekerheid: premies en belastingen worden betaald voor ziekte of werkeloosheid.
Hiervan wordt ook de AOW en de kinderbijslag betaald.
Sociale zekerheidsstelstel: mensen verzekeren van een inkomen bij werkeloosheid, ziekte,
ouderdom of arbeidsongeschiktheid
Sociale rechtsstaat: burgers hebben sociale grondrechten. Ook horen er plichten bij zoals
leerplicht en sollicitatieplicht. Als iemand geen werk zoekt, dan krijgt hij ook geen uitkering. Een
andere plicht is het betalen van premies voor de AOW en WW.
Belangrijkste sociale grondrechten:
- Voldoende werkgelegenheid
- Bestaanszekerheid en spreiding welvaart
- Bewoonbaarheid van het land en een goed leefmilieu
- Volksgezondheid en voldoende woongelegenheid
- Goed onderwijs
, 5.2 ontwikkeling van de verzorgingsstaat?
Nederland was eerst een nachtwakersstaat: een staat waarin de overheid zich beperkt tot het
handhaven van de rechtsorde. Dit bleek geen goed systeem te zijn, want voor genoeg geld
moest je lange dagen maken, een minimumloon bestond niet en kinderen moesten werken.
Door deze ontwikkeling, werden de eerste sociale wetten ingevoerd. Je kon je bijvoorbeeld
vrijwillig laten verzekeren. Na de WOII kwamen er meer rechten en inkomensverzekeringen, ook
gingen werkgevers en werknemers meer samenwerken.
Er kwamen sociale verzekeringen en arbeid beschermende wetgeving.
1854: armenwet (eerste overheidssteun voor armen)
1874: kinderwetje van Houten (geen kinderarbeid)
1895: veiligheidswet (
1901: ongevallenwet (verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid door bedrijfsongeval),
de woningwet (eisen aan de bouw van woningen en riolering) en leerplichtwet (kinderen zijn
verplicht onderwijs te volgen van 6 tot 12e levensjaar)
1917: werkloosheidsbesluit (acht weken uitkering voor werklozen)
1919: arbeidswet (beschermt belangen van werknemers)
1930: ziektewet (zorgt ervoor dat zieke werknemers recht hebben op een uitkering)
1941: kinderbijslagwet (tegemoetkoming in onderhoudskosten van een kind)
1957: Algemene ouderdomswet (regelt het verplichte, collectieve ouderdomspensioen. Zodat
mensen een uitkering krijgen na pensionering)
1965: Algemene bijstandswet (iedereen heeft recht op bijstand)
1967: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (word bedoeld voor werknemers die ziek of
gehandicapt zijn)
1980: Arbowet (bevat regels voor werknemers en werkgevers rondom gezondheid en veiligheid
van de werknemer)
1983: komst van sociale grondrechten
2006: invoering verplichte zorgverzekering
2015: participatiewet (voor iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder
ondersteuning niet redt) en leenstelstel
Liberale visie: zijn voor vrijemarkteconomie en willen collectieve uitgaven voor de
gezondheidszorg en socialezekerheidsstelsel zo laag mogelijk houden. Ze vinden eigen
verantwoordelijkheid belangrijk, maar vinden wel dat er niet op onderwijs bezuinigt moet worden.
Sociaaldemocratische visie: zij willen een sturende rol van de overheid en een gemengde
economie waarin er samen wordt gezorgd voor werkgelegenheid. Ze willen een goed stelsel van
zorg en uitkeringen om sociale ongelijkheid te verminderen. Er moet volgens hen flink worden
geïnvesteerd in onderwijs.