Een tekst of discourse komt tot stand als een aantal uitingen onderlinge samenhang vertoont. Bij de
interpretatie van uitingen gaat de hoorder er van uit dat die samenhang inderdaad bestaat. Hij
gebruikt de context waarin een uiting verschijnt om de betekenis van een uiting te achterhalen.
De strekking die een hoorder, gelet op de context, bij wijze van gevolgtrekking aan een uiting moet
verbinden, is een conversationele implicatuur. Naast het bepalen van de betekenis van een taalvorm
is er dus een ander type interpretatieprobleem: vaststellen wat de communicatieve bedoeling is. Dit
doet zich met name voor als een spreker zijn bedoeling niet letterlijk onder woorden brengt en dus
conversationele implicaturen gebruikt.
Discourse = losse uitingen die door middel van een verband een geheel worden (verzameling
samenhangende uitingen).
Conversationele implicatuur = een strekking die een hoorder, gelet op de context, bij wijze van
gevolgtrekking aan een uiting moet verbinden (gevolgrekking die de toehoorder aan de uiting moet
verbinden).
De onderlinge afstemming tussen sprekers en hoorders heet het coöperatieprincipe. Het is een soort
stilzwijgende overeenkomst tussen gesprekspartners om bij het communiceren samen te werken.
Voor hoorders is het een leidraad bij hun interpretatie van taaluitingen. Voor sprekers hebben
taaluitingen een bepaalde strekking, met die uitingen willen ze bij hoorders iets te bewerkstellen.
De wisselwerking tussen sprekers en hoorders berust op een aantal aannames of maximes die een
preciezere uitwerking geven van het coöperatieprincipe. Er zijn er drie:
- maxime van relevantie (relevantieaanname), gesprekspartners nemen aan dat de voorgaande
uiting relevant is voor de voortgang van het gesprek.
- maxime van kwantiteit (kwantiteitsaanname), een hoorder moet er van uit kunnen gaan dat een
spreker hem genoeg informatie verschaft, niet minder, maar ook niet meer (wat je niet zegt , is niet
relevant)
- maxime van kwaliteit (kwaliteitsaanname), de aanname dat de spreker naar beste weten juiste
informatie geeft, en niet opzettelijk onjuiste informatie (niet liegen).
Voor een geslaagde communicatie is het nodig dat gesprekspartners dezelfde spelregels hanteren.
Sprekers weten (onbewust) hoe een beurt gestructureerd is; ze weten kennelijk wanneer een beurt
is afgerond en een ander de beurt kan nemen. Ze kennen de regels van beurtwisseling.
Een vraag-antwoordpaar is een voorbeeld van een opeenvolgend paar. Naast het koppel vraag en
antwoord zijn er nog andere opeenvolgende paren: groet en wedergroet, verzoek en inwilling,
aanbod en aanvaarding of weigering. Een opeenvolgend paar bestaat uit twee uitingen die elk door
een andere spreker worden voortgebracht en een vaste volgorde hebben.
De structuur van het gesprek als geheel wordt bepaald door karakteristieke gespreksopeningen en
gespreksafsluitingen. Ze vertonen vaak een bepaald patroon.
De samenhang tussen uitingen in een tekst heet coherentie. Dat wil zeggen dat ze moeten
samenhangen met de talige als de niet-talige context. Ze moeten inhoudelijk op elkaar aansluiten, en
stuk voor stuk een bijdrage leveren aan de opbouw van het onderwerp van de tekst. Wanneer
coherentie door talige middelen tot uitdrukking komt noemen we dat cohesie.