Volwassen taalgebruikers beschikken in principe over kennis van het taalsysteem om zinnen
te kunnen gebruiken of produceren. Deze kennis van het taalsysteem wordt linguïstische
competence genoemd. Naast de competence staat het feitelijk gebruik dat van die kennis
wordt gemaakt, de performance. Er zijn beperkingen op de performance, onder meer omdat
het geheugen overbelast zou raken bij een te lange zin. Aan het eind van de zin weet de
taalgebruiker niet meer wat er aan het begin gezegd werd. Performance is dus beperkter
dan competence, maar er is nog een ander verschil: mensen spreken lang niet altijd foutloos
en grammaticaal (de regels worden niet altijd ‘correct’ toegepast). Daarnaast hebben
taalgebruikers ook kennis van de wereld nodig. De derde kennis die nodig is, is de kennis
over hoe te handelen in verschillende taalgebruikssituaties, ook wel communicatieve
competence genoemd. Deze verschillende soorten kennis maken deel uit van het cognitief
systeem waar mensen over beschikken.
Linguïstische competence = de kennis van het taalsysteem (deels abstract en onbewust),
kennis van grammatica.
Communicatieve competence = kennis van taalgebruikssituaties.
Volwassen taalgebruikers beschikken over een enorme woordenschat: gemiddeld zo’n
60.000 verschillende woorden. Deze kennis is nauw verbonden met de kennis van de wereld,
is opgeslagen in ons mentale lexicon. Het gebruik van het mentale lexicon is te beschouwen
als het prikkelen of activeren van die kennis. Als taalgebruikers een woord horen wordt dat
woord met de bijbehorende betekenis geactiveerd. De activatie straalt uit naar nauw
verwante woorden en kennis: activatiespreiding. De mate waarin de woorden sneller
worden herkend staat bekend als het priming effect.
Taalgebruikers moeten niet alleen over allerlei kennis beschikken, maar ook psychologisch
goed kunnen functioneren. Al deze kennis en vermogen wordt aangeduid met het cognitief
systeem.
Mentale lexicon = onze woordenschat met de verbinding aan de kennis van de wereld.
Activatiespreiding = bij het horen van een woord worden verwante woorden geactiveerd.
De geactiveerde kennis van een woord straalt uit naar woorden die ermee verbonden zijn.
Priming effect = de mate waarin woorden sneller worden herkend, bijv. je herkent het
woord zebra door de ‘prime’ dierentuin.
Taalstoornissen die het gevolg zijn van een hersenbeschadiging noemen we afasie.
Het kunnen gebruiken van een taal is dus afhankelijk van het functioneren van verschillende
hersengebieden. Bij de meeste gebruikers is de linguïstische competence gelokaliseerd in de
linker hersenhelft.