Fundamentele wetenschappen:
Psychologie gedrag mensen verklaren en veranderen
Sociale psychologie hoe mensen in groepen elkaars gedrag beïnvloeden
Sociologie gedrag in relatie tot sociale omgeving of cultuur
Antropologie vergelijkt verschillende samenlevingen
Contingentievariabelen = gedrag X leidt tot Y onder de voorwaarden van Z.
Attitude= houding die je hebt tegenover dingen, mensen, bepaald gedrag of gebeurtenissen.
- Cognitie = evaluatie (leidt op zichzelf niet tot
gedragskeuzes)
- Affectief = gevoel op cognitie (kan leiden tot
gedragsresultaten)
- Gedrag = actie
De 3 componenten hangen nauw met elkaar samen.
Zo bestaat een attitude uit een bepaalde gedachte en
die roept een bepaald gevoel op. Gedachte en gevoel
leiden tot een gedragsintentie.
Cognitieve dissonantie = tegenstrijdigheden van een
individu tussen eigen attitudes en gedrag
Mensen streven naar consistentie van hun attitudes en hun gedrag, inconsistentie voelt
ongemakkelijk en daarom willen ze dit minder groot maken door:
1. Hun attitudes te veranderen
2. Hun gedrag te veranderen
3. Door verschil tussen attitude en gedrag ‘weg’ te rationaliseren.
Of we iets willen doen aan onze dissonantie hangt af van verschillende factoren:
- Het belang van de attitudes die de dissonantie veroorzaken. (zebrapad oversteken bij rood)
- De invloed die je hebt over de elementen denkt te hebben. (sorry zeggen bij te laat komen)
- De beloning van dissonantie. Verminderen vaak spanning ‘iedereen zou hetzelfde gedaan
hebben’
Moderatorvariabelen = factoren die verband tussen attitude en gedrag kunnen versterken of
verzwakken
- Het belang van de attitude. Attitudes die iemand belangrijk vind vertonen doorgaans een
sterk verband met gedrag.
- De specificiteit van de gedragsintentie. Hoe goed past de attitude bij bepaald gedrag, des te
sterker de band.
- De toegankelijkheid van de attitude. Attitudes die gemakkelijk oproepbaar zijn in het
geheugen zijn betere voorspellers van gedrag dan minder toegankelijke attitudes. Bv.
Stoppen met roken, vertel het iedereen want hoe vaker je je mening verkondigt des te groter
de invloed.
- De aanwezigheid van sociale druk. Bv. collega is tegen staken maar staakt toch mee.
- Directe ervaring met de attitude. Verband tussen attitude en gedrag is sterker wanneer de
attitude iets betreft waarmee het individu ervaring uit de eerste hand mee heeft.
, Werk gerelateerde attitudes:
1. Werktevredenheid
2. Werkbetrokkenheid
3. Organisatiebinding
4. Wso
5. Bevlogenheid
Gevolgen van werk(on)tevredenheid:
Instrumenten werktevredenheid:
1. Taakontwerp
2. Selectie
3. Begeleiding
Affect brede scala van menselijke gevoelens
- Emoties = intense gevoelens
- Stemmingen = minder sterke gevoelens, hebben geen prikkels nodig
Emoties Stemmingen
Veroorzaakt door specifieke gebeurtenis Oorzaak vaak algemeen en onduidelijk
Kortdurend Duren langer (uren of dagen)
Specifiek en veeltallig van aard Algemener (positief of negatief)
Zichtbaar in gezicht Over algemeen niet zichtbaar in gezicht
Actie georiënteerd Cognitief
Basisemoties:
1. Woede
2. Angst
3. Verdriet
4. Geluk
5. Verbazing
6. Walging
Basisstemmingen
- Positief of negatief
- Actief of passief
Ook wel hoof of laag
Psychologie gedrag mensen verklaren en veranderen
Sociale psychologie hoe mensen in groepen elkaars gedrag beïnvloeden
Sociologie gedrag in relatie tot sociale omgeving of cultuur
Antropologie vergelijkt verschillende samenlevingen
Contingentievariabelen = gedrag X leidt tot Y onder de voorwaarden van Z.
Attitude= houding die je hebt tegenover dingen, mensen, bepaald gedrag of gebeurtenissen.
- Cognitie = evaluatie (leidt op zichzelf niet tot
gedragskeuzes)
- Affectief = gevoel op cognitie (kan leiden tot
gedragsresultaten)
- Gedrag = actie
De 3 componenten hangen nauw met elkaar samen.
Zo bestaat een attitude uit een bepaalde gedachte en
die roept een bepaald gevoel op. Gedachte en gevoel
leiden tot een gedragsintentie.
Cognitieve dissonantie = tegenstrijdigheden van een
individu tussen eigen attitudes en gedrag
Mensen streven naar consistentie van hun attitudes en hun gedrag, inconsistentie voelt
ongemakkelijk en daarom willen ze dit minder groot maken door:
1. Hun attitudes te veranderen
2. Hun gedrag te veranderen
3. Door verschil tussen attitude en gedrag ‘weg’ te rationaliseren.
Of we iets willen doen aan onze dissonantie hangt af van verschillende factoren:
- Het belang van de attitudes die de dissonantie veroorzaken. (zebrapad oversteken bij rood)
- De invloed die je hebt over de elementen denkt te hebben. (sorry zeggen bij te laat komen)
- De beloning van dissonantie. Verminderen vaak spanning ‘iedereen zou hetzelfde gedaan
hebben’
Moderatorvariabelen = factoren die verband tussen attitude en gedrag kunnen versterken of
verzwakken
- Het belang van de attitude. Attitudes die iemand belangrijk vind vertonen doorgaans een
sterk verband met gedrag.
- De specificiteit van de gedragsintentie. Hoe goed past de attitude bij bepaald gedrag, des te
sterker de band.
- De toegankelijkheid van de attitude. Attitudes die gemakkelijk oproepbaar zijn in het
geheugen zijn betere voorspellers van gedrag dan minder toegankelijke attitudes. Bv.
Stoppen met roken, vertel het iedereen want hoe vaker je je mening verkondigt des te groter
de invloed.
- De aanwezigheid van sociale druk. Bv. collega is tegen staken maar staakt toch mee.
- Directe ervaring met de attitude. Verband tussen attitude en gedrag is sterker wanneer de
attitude iets betreft waarmee het individu ervaring uit de eerste hand mee heeft.
, Werk gerelateerde attitudes:
1. Werktevredenheid
2. Werkbetrokkenheid
3. Organisatiebinding
4. Wso
5. Bevlogenheid
Gevolgen van werk(on)tevredenheid:
Instrumenten werktevredenheid:
1. Taakontwerp
2. Selectie
3. Begeleiding
Affect brede scala van menselijke gevoelens
- Emoties = intense gevoelens
- Stemmingen = minder sterke gevoelens, hebben geen prikkels nodig
Emoties Stemmingen
Veroorzaakt door specifieke gebeurtenis Oorzaak vaak algemeen en onduidelijk
Kortdurend Duren langer (uren of dagen)
Specifiek en veeltallig van aard Algemener (positief of negatief)
Zichtbaar in gezicht Over algemeen niet zichtbaar in gezicht
Actie georiënteerd Cognitief
Basisemoties:
1. Woede
2. Angst
3. Verdriet
4. Geluk
5. Verbazing
6. Walging
Basisstemmingen
- Positief of negatief
- Actief of passief
Ook wel hoof of laag