Chartaal geld: tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten.
Geldfuncties: geld kun je gebruiken als ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel.
1. Ruilmiddel, betaalmiddel
2. Oppotmiddel
3. Spaar middel
Giraal geld: geld dat mensen op hun betaalrekening hebben.
Saldo: het bedrag dat je op je bankrekening staat. Dat kan een creditsaldo (+) of een debetsaldo (-)
zijn.
Enkelvoudige rente: rente die telkens na afloop van een jaar apart wordt uitgekeerd. Je spaartegoed
zelf verandert niet.
Samengestelde rente: rente op rente. De rente wordt na ieder jaar bijgeschreven op je
spaarrekening in het volgende jaar krijg je rente over je spaarbedrag plus de bijgeschreven rente.
Spaardeposito: spaarrekening waarop je geld voor een afgesproken tijd vast staat tegen een vst
rente percentage.
Spaarmotieven: redenen om te sparen. Je kunt sparen voor een doel, uit voorzorgt of voor rente.
Variabele rente: de bank kan op ieder moment het rente percentage wijzigen.
Vaste rente: het rente percentage blijft tijdens de afgesproken periode hetzelfde.
Consumptief krediet: een lening voor de aanschaf van een consumptiegoed.
Koop op afbetaling: een kredietvorm waarbij je een aankoop in termijnen kunt afbetalen.
Krediet: ander woord voor lening.
Krediet kosten: alles wat meer terugbetaalt dan het geleende bedrag.
Krediet vormen soorten leningen veelvoorkomende kredietvormen zijn:
1. Persoonlijke lening
2. Doorlopend krediet
3. Salariskrediet
4. Koop op afbetaling
Leenmotieven: redenen om geld te lenen. Je kunt lenen:
Om tijdelijk geldtekort op te vangen.
Omdat je nu al wilt genieten van een aankoop.
Voor onverwachte dringende uitgaven.
Voor de aankoop van een woning.
, Beleggen: je steekt je geld in iets waarvan je verwacht dat het meer waard wordt.
Eurozone: een groep landen binnen de Europese unie die de euro als wettig betaalmiddel hebben.
Vreemde valuta: vreemd geld. Een geldsoort van landen buiten de eurozone.
Begrippen hoofdstuk 4
Eigen risico: het deel van de schade dat jezelf moet betalen en dat dus niet vergoed wordt door de
verzekeraar.
Onzeker voorval: iets waarvan je niet weet wanneer en of dat ooit zal gebeuren, zoals een ongeluk of
een diefstal.
Premie: het bedrag dat je aan de verzekeraar betaalt om verzekerd te zijn.
Verzekeringskosten: premie + poliskosten + assurantiebelasting.
Verschillende verzekeringen.
AVP: aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. Deze verzekering vergoedt schade die je
zonder opzet aan anderen toebrengt.
Inboedelverzekering: deze verzekering dekt de schade door inbraak, brand en waterschade aan
spullen in je huis.
Indexering: het verzekerd bedrag wordt automatisch aangepast aan de prijsstijging.
Onderverzekering: het verzekerde bedrag is lager dan de werkelijke waarde. Hierdoor wordt de
schadevergoeding ook lager.
Opstalverzekering: een verzekering tegen schade aan het huis zelf, bijvoorbeeld door brand of
storm.
Verschillende schade verzekeringen
Allriskverzekering: WA +cascoverzekering. Je bent verzekerd voor schade aan anderen en aan je
eigen voertuig.
Bonus malusregeling: een systeem van premiekortingen en toeslagen.
Cascoverzekering: verzekering tegen schade aan je eigen scooter of auto.
No- claimkorting: korting op de premie als beloning wanneer je met je scooter of auto geen schade
veroorzaakt.
WA-verzekering: wettelijk verplichte verzekering tegen schade die je met je scooter of auto aan
anderen toebrengt.
Verschillende zorgverzekeringen