, 1. De lijdende vorm
A storm destroyed their house -> their house was destroyed (by a storm)
Betekenis van de zin verandert niet, de nadruk wordt alleen ergens anders op gezet. In de
bedrijvende zin voert het onderwerp van de zin de handeling uit. In een lijdende zin ondergaat het
onderwerp de handeling.
Zin 1: nadruk op wie verantwoordelijk is voor de actie -> de storm
Zin 2: nadruk op de actie -> namelijk dat het huis verwoest is (door wie/wat is al duidelijk uit de
context of niet belangrijk)
Gebruik van de lijdende vorm (passive)
1. Als niet duidelijk is wie het onderwerp van de zin is
My camera was stolen from my locker at school.
2. Het overduidelijk is wat het onderwerp van de zin is (uit de context of in dit geval de politie)
The murderer has been arrested
3. Als het niet uitmaakt wie de actie uitvoert, de nadruk ligt op de actie zelf.
A candle will be lit at the memorial service for the fallen soldier.
Stappenplan:
1. In welke tijd staat de bedrijvende zin?
2. Lijdend voorwerp van de actieve zin wordt onderwerp van de lijdende zin
-> wie/wat + onderwerp + gezegde
3. Voeg een vorm van ‘to be’ toe
4. Gebruik het hoofdwerkwoord uit de actieve zin om een voltooid deelwoord te maken voor de
lijdende zin
Bedrijvende zin Lijdende zin
Present simple Femke watches SWAT SWAT is watched by Femke
Past simple Femke watched SWAT SWAT was watched by Femke
Present continuous Femke is watching SWAT SWAT is being watched by Femke
Past continuous Femke was watching SWAT SWAT was being watched by Femke
Present perfect Femke has watched SWAT SWAT has been watched by Femke
Past perfect Femke had watched SWAT SWAT had been watched by Femke
Future Femke will watch SWAT SWAT will be watched by Femke
Femke is going to watch SWAT
Femke can watch SWAT
2