H1 Asking questions about behaviour
Instinct refereert naar het natuurlijke gedrag van dieren. Elk soort heeft een reeks van stereotype
gedragspatronen. Sommige kunnen gedeeld zijn met soorten waarmee zij een relatie hebben,
sommige zijn juist heel uniek.
1.1
Display: een gedragspatroon dat als signaal dient.
VB 1: Territorium gedrag stekelbaars. Een mannetjes stekelbaars doet zijn hoofd omlaag en laat zijn
rode buik zien als er een ander mannetje zijn territorium nadert. De rode buik dient als signaal voor
de indringer.
VB 2: Als een vrouwtje met een gezwollen buik het territorium van een mannetjes stekelbaars
benaderd, laat hij een ander gedragspatroon zien zig-zag dans. Hij geleidt haar langzaam naar zijn
nest. De zig-zag dans dient als signaal voor het vrouwtje.
Het mannetje zorgt alleen voor de eieren. Door middel van waaieren zorgt hij de voor dat zijn eieren
genoeg zuurstof krijgen.
Gedrag valt in 4 verschillende categorieën in te delen:
- Ontwikkeling
- Oorzaken
- Functies
- Evolutie
1.2
Ontwikkeling
Nurture: aangeleerd gedrag. Jonge dieren leren door het observeren van hun ouders of andere
soortgenoten.
Nature: aangeboren gedrag
Gedrag kan ook instinctief zijn.
Oorzaak
Buiten invloeden en interne staat animals behave in the way they do.
Verstand houdt dieren geïnformeerd over veranderingen in de externe wereld zodat zij op de juiste
wijze kunnen reageren op veel verschillende soorten prikkels.
Gedrag kan veroorzaakt worden door externe veranderingen maar ook door interne veranderingen,
zoals lage bloedsuiker spiegel of hoge hormoon levels.
Dat het ene dier op een bepaald moment meer reageert (eten, drinken of paren) op zo’n interne
verandering dan het andere dier, heeft te maken met de motivatie van dat dier.
Motivatie: Interne veranderingen zorgen ervoor dat een dier verschillende gedragingen vertoond op
verschillende momenten.
1