Dubbelkarakter van sport (2 dimensies):
1. Maatschappelijk karakter van sport: sociaal (instrumentele opvatting)
2. Het eigene van sport: sport is een eigen wereld (essentialistische opvatting)
Sport: een vaardigheidsspel gericht op het bereiken van een bepaald doel, waarbij fysieke
kwaliteiten van mensen worden getest en waarbij gespeeld wordt met bepaalde middelen,
volgens bepaalde regels.
Non-physical games: bij deze spelvormen gaat het niet direct om beweging, maar wel om
competitie, regels, institutionalisering, etc. Voorbeelden: bridge, schaken, dammen:
denksporten.
Physical activities: lichamelijke activiteiten zonder dat er sprake is van een spelelement in
de zin van competitie en strijd (game). Voorbeelden: steps, aerobics, fitness, tae bo,
spinning, een wandeling maken, een fietstocht maken, zwemmen in zee.
Kenmerken definitie sport:
- Sport is een vaardigheidsspel: fysieke en cognitieve vaardigheden
- De sporter probeert een bepaald doel te bereiken: winnen
- Sport heeft een fysiek karakter: lichamelijke activiteit, denksporten -> hersenen
- Bij sport is er sprake van testen: competitie
- Spel:
- Play: het spelen zelf is het doel en er is geen extrinsiek doel (geld). Vrijheid
(er zijn geen verplichtingen) en belangeloosheid.
- Game: intrinsieke en/of extrinsieke doelen. Competitie en regels.
- Bij sport worden relevante middelen gebruikt: de middelen gebruiken die in
overeenstemming zijn met de regels van de sport.
- Wezenlijk voor elke sport is dat er bepaalde regels zijn: obstakels en mogelijkheden.
- Bij sport is er altijd sprake van een zekere vorm van institutionalisering: de
activiteiten hebben een blijvend karakter, stabiliteit.
Motieven om te sporten:
1. Intrinsieke motieven: de motieven die te maken hebben met de sport zelf.
2. Extrinsieke motieven: motieven die buiten de sport zelf liggen.
2 niveaus sport extrinsieke doelen:
1. Individuele motieven:
- Gezondheid
- Welzijn
- Sociale contacten
- Status
- Geld
2. Sociale motieven:
- Pedagogisch
- Sociaal-emotioneel
- Socialiserend
- Sociaal integratief
- Politiek
,Categorieën sport:
- Resultaatgeoriënteerde en vormgeoriënteerde sporten
atletiek, schaatsen turnen, schoonspringen, kunstschaatsen
- Refereed sports en judged sports
voetbal, hockey, basketbal turnen, schoonspringen, kunstrijden
- Actieve en passieve sportbeoefening
tennis, korfbal tv
- Topsport en breedtesport
hoog niveau lager niveau
aanjaagfunctie (onbekende, nieuwe sporten) aanvoerfunctie
- Beroepssport en amateursport
inkomen geen inkomen
Bewegen:
- Sportief bewegen: het doel van de beweging is lichamelijk van aard. Voorbeeld:
fietstocht, wandeling.
- Bewegen met een (primair) a-sportief doel: een ander doel bij bewegen.
Voorbeeld: boodschappen doen met de fiets, tuinieren.
- Je-zelf-niet-verplaatsend bewegen: bewegen zonder dat je jezelf verplaatst.
Voorbeeld: opmaken, haar kammen, sigaret roken.
Verborgen competitie H1 & 3 DBE 2.1
Boksen, paardenrennen, roeien en cricket
Voor 1850: belangrijkste sporten die in Engeland op nationaal niveau werden beoefend.
Paardenrennen:
- Ontstaan: de snelheid van paarden te beoordelen
- Weddenschappen
- Jockey Club, standaardisering van de regels
- Knechten -> beroeps jockeys
Boksen:
- Gentry waren zelf actief
- Boksen alternatief voor schermen bij adel
- Puglistic Club bestuurslichaam Engels boksen. Standaardisering & gewelsbeperking.
- Prof
Roeien:
- 10.000 veermannen & beroepsroeiers nabij de Theems
- Prijsgeld
- Amateur
Cricket:
- Gentry zelf actief
- Articles of agreement
- Sociale verhoudingen: samenspel tussen adel en volk
, Neergang:
- Sociaal economische ontwikkelingen
- Verbeteringen transport & communicatie
- Mid-victorian compromise
- Middenklasse -> kritiek op sport
- Sport voor atleten boven sport voor publiek
- Sportbeoefening arbeiders
- Gentry trok zich terug
Voetbal, rugby en hockey
Privéscholen en universiteiten -> stond centraal in de oprichting van voetbal/rugby
-> werd verplicht te voetballen en te cricketen
Kicking game (voetbal) Handling game (rugby)
- Weinig lichamelijk contact - Veel lichamelijk contact
- Scoren door doelpunten - Ovale bal
- Bal niet aanraken met de hand - Scoren door middel van
- Ronde bal touchdown
De regels verschilden zo erg, dat de rugby variant zich terugtrok uit de Football Association
en een aparte sport werd.
Professioneel/hoogste scholen Te laat, amateur/iets lagere scholen
Voetbal: Rugby:
- Was de favoriet onder de studenten - Wilde een elite sport blijven
- Sneller gestandaardiseerde regels - Wilde de ideologie van hun leermeester
- Werd eerder bekend op de privéscholen uitdragen
Hockey:
- Eind 19de eeuw: op meisjesscholen werden clubs opgericht voor sporten die als ‘net
acceptabel’ werden opgevat voor meisjes (daarom respectabel).
- Verspreiding hockey werd bevorderd door de hoge status van de scholen en
colleges.
- 1895: geweigerde toelating Ladies’ Hockey Association tot mannelijke Hockey
Association -> geen gemengd hockey.
- Hockey = typische vrouwelijke sport + winterse alternatief voor tennis op
meisjesscholen.
- Full-blooded amateurism: zo min mogelijk competitief karakter.
Golf, tennis, badminton, tafeltennis en squash
Wel Niet
- Ontstaan door ‘weekend parties’ - Ontstaan door producten van scholen en
in de gegoede burgerij universiteiten
- Oudere mannen en vrouwen - Studenten
- Fysieke confrontatie vermijden - Fysieke confrontatie