Moderne onmiddellijkheid, onmiddellijkheid ‘light’
J.S. Nan
Strafblad 2015
In het huidige systeem is het ter zitting horen van getuigen een uitzondering. In de nieuwe plannen
voor een modernisering van het WvSv wordt de praktijk op dat punt geïncorporeerd en uitgebouwd.
Alle onderzoeksafdelingen dienen zoveel mogelijk in het voorbereidend onderzoek te worden
verricht, zodat de zaak efficiënt ter zitting kan worden afgedaan zonder dat getuigen daar nog
moeten worden gehoord. Deze plannen strijden met de uitgangspunten van het EHRM end e
gedachten achter het onmiddellijkheidsbeginsel. Dat beginsel verdient een herwaardering.
1 Inleiding
De huidige plannen van Modernisering WvSv – en de daaraan voorafgaande onderzoeksproject
Strafvordering 2001 – betekenen min of meer een doodsteek van het onmiddellijkheidsbeginsel t.a.v.
het horen van getuigen ter zitting. Er wordt namelijk gefocust op zuinigheid en efficiëntie. Volgens
Nan begint dit te knellen en staren de beleidsmaker zich blind op het zo snel en zo goedkoop
mogelijk afhandelen van zaken zonder dat dit veel (kostbare) zittingstijd kost.
2 Onmiddellijkheid ‘light’
De Hoge Raad erkent het onmiddellijkheidsbeginsel en stelt dat dit deel uitmaakt van ons positieve
strafprocesrecht. De invulling hiervan is echter summier.
Het bruikbare (getuigen)bewijs hoeft niet eerst ter zitting geproduceerd te worden. Het is voldoende
dat conform art. 301 Sv al het vergaarde bewijs dat de zittingsrechter relevant acht voor zijn
beslissing, op de zitting ter sprake wordt gebracht en daarover discussie kan ontstaan. Daarmee is
aan de verplichting van art. 338 Sv voldaan.
De beperkte waarde van het onmiddellijkheidsbeginsel komt ook terug in de rechtspraak van de HR.
Een buiten de zitting afgelegde verklaring kan nog steeds als snel voor het bewijs worden gebezigd,
zeker als de verdediging die getuige op enig moment heeft kunnen ondervragen. De praktijk is dat
het horen van getuigen ter zitting nog steeds een uitzondering is en waar de verdediging
gemotiveerd om moet verzoeken.
Op deze ontwikkeling is steeds kritiek gespuid, waarbij voor een ruimere, materiele opvatting van het
onmiddellijkheidsbeginsel wordt gepleit. In het onmiddellijkheidsbeginsel in ruime zin opgevat,
komen diverse beginselen en uitgangspunten samen of hangen daarmee samen. Het is dan een
beginsel dat voorschrijft dat de rechter alleen het directe – dus authentieke – bewijsmateriaal mag
bezigen dat op de zitting in zijn aanwezigheid is geproduceerd. Een en ander geschiedt mondeling en
in de openbaarheid.
Het onmiddellijkheidsbeginsel in ruime zin bepaalt ook de structuur van ons strafproces, waarbij het
voorbereidend onderzoek niet anders dan een bescheiden prelude kan zijn op het onderzoek ter
terechtzitting, waarop alles moet gebeuren. Deze gedachten komen ook terug in de rechtspraak van
het EHRM.
Duidelijk is echter dat het onmiddellijkheidsbeginsel in ruimte vorm nooit heeft gegolden in de
heersende NL leer en praktijk.
J.S. Nan
Strafblad 2015
In het huidige systeem is het ter zitting horen van getuigen een uitzondering. In de nieuwe plannen
voor een modernisering van het WvSv wordt de praktijk op dat punt geïncorporeerd en uitgebouwd.
Alle onderzoeksafdelingen dienen zoveel mogelijk in het voorbereidend onderzoek te worden
verricht, zodat de zaak efficiënt ter zitting kan worden afgedaan zonder dat getuigen daar nog
moeten worden gehoord. Deze plannen strijden met de uitgangspunten van het EHRM end e
gedachten achter het onmiddellijkheidsbeginsel. Dat beginsel verdient een herwaardering.
1 Inleiding
De huidige plannen van Modernisering WvSv – en de daaraan voorafgaande onderzoeksproject
Strafvordering 2001 – betekenen min of meer een doodsteek van het onmiddellijkheidsbeginsel t.a.v.
het horen van getuigen ter zitting. Er wordt namelijk gefocust op zuinigheid en efficiëntie. Volgens
Nan begint dit te knellen en staren de beleidsmaker zich blind op het zo snel en zo goedkoop
mogelijk afhandelen van zaken zonder dat dit veel (kostbare) zittingstijd kost.
2 Onmiddellijkheid ‘light’
De Hoge Raad erkent het onmiddellijkheidsbeginsel en stelt dat dit deel uitmaakt van ons positieve
strafprocesrecht. De invulling hiervan is echter summier.
Het bruikbare (getuigen)bewijs hoeft niet eerst ter zitting geproduceerd te worden. Het is voldoende
dat conform art. 301 Sv al het vergaarde bewijs dat de zittingsrechter relevant acht voor zijn
beslissing, op de zitting ter sprake wordt gebracht en daarover discussie kan ontstaan. Daarmee is
aan de verplichting van art. 338 Sv voldaan.
De beperkte waarde van het onmiddellijkheidsbeginsel komt ook terug in de rechtspraak van de HR.
Een buiten de zitting afgelegde verklaring kan nog steeds als snel voor het bewijs worden gebezigd,
zeker als de verdediging die getuige op enig moment heeft kunnen ondervragen. De praktijk is dat
het horen van getuigen ter zitting nog steeds een uitzondering is en waar de verdediging
gemotiveerd om moet verzoeken.
Op deze ontwikkeling is steeds kritiek gespuid, waarbij voor een ruimere, materiele opvatting van het
onmiddellijkheidsbeginsel wordt gepleit. In het onmiddellijkheidsbeginsel in ruime zin opgevat,
komen diverse beginselen en uitgangspunten samen of hangen daarmee samen. Het is dan een
beginsel dat voorschrijft dat de rechter alleen het directe – dus authentieke – bewijsmateriaal mag
bezigen dat op de zitting in zijn aanwezigheid is geproduceerd. Een en ander geschiedt mondeling en
in de openbaarheid.
Het onmiddellijkheidsbeginsel in ruime zin bepaalt ook de structuur van ons strafproces, waarbij het
voorbereidend onderzoek niet anders dan een bescheiden prelude kan zijn op het onderzoek ter
terechtzitting, waarop alles moet gebeuren. Deze gedachten komen ook terug in de rechtspraak van
het EHRM.
Duidelijk is echter dat het onmiddellijkheidsbeginsel in ruimte vorm nooit heeft gegolden in de
heersende NL leer en praktijk.