Werkblad 4 Vervolging
Thema
In de vorige twee werkbladen is het opsporingsonderzoek onder leiding van de officier van
justitie aan de orde geweest. Als naar aanleiding van dat opsporingsonderzoek de officier van
justitie van mening is dat vervolging moet plaatshebben gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk
over, aldus art. 167 Sv. Deze beslissing is exclusief aan hem voorbehouden; hij heeft het
vervolgingsmonopolie.
Op grond van het in art. 167 Sv opgenomen opportuniteitsbeginsel komt hem hierbij
beoordelingsvrijheid toe welke strafbare feiten hij gaat vervolgen. Deze beoordelingsvrijheid
is niet onbeperkt en wordt, zoals reeds is behandeld bij SPR-I, begrensd door de beginselen
van een behoorlijke procesorde, zoals het verbod op willekeur, het vertrouwensbeginsel en
het gelijkheidsbeginsel. Heeft de officier van justitie op basis van art. 167 Sv besloten tot
vervolging over te gaan, dan staat hij op zeker moment voor de beslissing over te gaan tot
verdere vervolging (art. 242 Sv).
Naast de genoemde beginselen wordt het vervolgingsmonopolie begrensd door de
mogelijkheid die art. 12 Sv de burger geeft bij een gerechtshof te klagen over de beslissing
van de officier van justitie niet tot (verdere) vervolging over te gaan.
In dit werkblad zullen de verschillende beslissingen aan de orde komen die de officier van
justitie kan nemen als hij niet tot dagvaarding van de verdachte over gaat. Daarbij zal
aandacht worden besteed aan de verschillende sepotmogelijkheden, de transactie en de
daarvoor in de plaats komende strafbeschikking.
Indien de officier van justitie besluit dat de zaak ter terechtzitting zal dienen, vaardigt
hij een dagvaarding uit aan de verdachte. Het belangrijkste rechtsgevolg van de dagvaarding
is dat de zittingsrechter op grondslag van de erin vervatte tenlastelegging de vragen van de
artt. 348 en 350 Sv moet beantwoorden. Daarom is het voor de rechter belangrijk dat de
tenlastelegging duidelijk is. Daarnaast is van belang dat de verdachte zich op basis van de
tenlastelegging kan verdedigen. Dit wordt gewaarborgd door art. 261 Sv waarin is bepaald
dat de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit bevat met vermelding van de
tijd, plaats en omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Leerdoelen
Studenten dienen na bestudering van de literatuur, de jurisprudentie en na het volgen van de
colleges:
te kunnen benoemen wat het opportuniteitsbeginsel inhoudt en waardoor dit beginsel
wordt begrensd;
de beklagprocedure tegen niet (verdere) vervolging te kunnen beschrijven;
de verschillende beslissingen omtrent de vervolging en de voorzetting te kunnen
toepassen in een casus;
te kunnen benoemen wat de noodzaak, functies en wettelijke eisen zijn van de
dagvaarding en dit in een casus te kunnen toepassen;
Literatuur
- Corstens/Borgers, HS VI: § 9-11, HS XIII, HS XVIII: § 4-5 (inclusief kleine letters);
- Koopmans/Bleichrodt, H. 2: par 2.1.
Thema
In de vorige twee werkbladen is het opsporingsonderzoek onder leiding van de officier van
justitie aan de orde geweest. Als naar aanleiding van dat opsporingsonderzoek de officier van
justitie van mening is dat vervolging moet plaatshebben gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk
over, aldus art. 167 Sv. Deze beslissing is exclusief aan hem voorbehouden; hij heeft het
vervolgingsmonopolie.
Op grond van het in art. 167 Sv opgenomen opportuniteitsbeginsel komt hem hierbij
beoordelingsvrijheid toe welke strafbare feiten hij gaat vervolgen. Deze beoordelingsvrijheid
is niet onbeperkt en wordt, zoals reeds is behandeld bij SPR-I, begrensd door de beginselen
van een behoorlijke procesorde, zoals het verbod op willekeur, het vertrouwensbeginsel en
het gelijkheidsbeginsel. Heeft de officier van justitie op basis van art. 167 Sv besloten tot
vervolging over te gaan, dan staat hij op zeker moment voor de beslissing over te gaan tot
verdere vervolging (art. 242 Sv).
Naast de genoemde beginselen wordt het vervolgingsmonopolie begrensd door de
mogelijkheid die art. 12 Sv de burger geeft bij een gerechtshof te klagen over de beslissing
van de officier van justitie niet tot (verdere) vervolging over te gaan.
In dit werkblad zullen de verschillende beslissingen aan de orde komen die de officier van
justitie kan nemen als hij niet tot dagvaarding van de verdachte over gaat. Daarbij zal
aandacht worden besteed aan de verschillende sepotmogelijkheden, de transactie en de
daarvoor in de plaats komende strafbeschikking.
Indien de officier van justitie besluit dat de zaak ter terechtzitting zal dienen, vaardigt
hij een dagvaarding uit aan de verdachte. Het belangrijkste rechtsgevolg van de dagvaarding
is dat de zittingsrechter op grondslag van de erin vervatte tenlastelegging de vragen van de
artt. 348 en 350 Sv moet beantwoorden. Daarom is het voor de rechter belangrijk dat de
tenlastelegging duidelijk is. Daarnaast is van belang dat de verdachte zich op basis van de
tenlastelegging kan verdedigen. Dit wordt gewaarborgd door art. 261 Sv waarin is bepaald
dat de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit bevat met vermelding van de
tijd, plaats en omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Leerdoelen
Studenten dienen na bestudering van de literatuur, de jurisprudentie en na het volgen van de
colleges:
te kunnen benoemen wat het opportuniteitsbeginsel inhoudt en waardoor dit beginsel
wordt begrensd;
de beklagprocedure tegen niet (verdere) vervolging te kunnen beschrijven;
de verschillende beslissingen omtrent de vervolging en de voorzetting te kunnen
toepassen in een casus;
te kunnen benoemen wat de noodzaak, functies en wettelijke eisen zijn van de
dagvaarding en dit in een casus te kunnen toepassen;
Literatuur
- Corstens/Borgers, HS VI: § 9-11, HS XIII, HS XVIII: § 4-5 (inclusief kleine letters);
- Koopmans/Bleichrodt, H. 2: par 2.1.