Hoofdstuk 1 Inleiding
Het huidige stelsel van sociale zekerheid is voortgekomen uit initiatieven voor de bescherming van
arbeiders en armen.
De term sociale zekerheid werd voor het eerst gebruikt in 1935 ter aanduiding van een wet die dat
jaar werd aangenomen onder het presidentschap van Franklin Roosevelt: The Social Security Act.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft het socialezekerheidsbegrip wereldwijd gelding gekregen.
Armoede is geen natuurlijk verschijnsel waarin de mens moet berusten, iedereen heeft recht op
bestaanszekerheid en de overheid moet hierin een bepaalde verantwoordelijkheid toekomen.
Horizontale solidariteit: Wanneer leden van een groep onderling risico’s delen.
Verticale solidariteit: De eenzijdige steun van rijken ten opzichte van armen.
Het verzekeringsprincipe: De mensen verzekeren zich tegen een onzekere gebeurtenis tegen
betaling van een premie.
Sociale verzekeringen: Hierbij is de verzekering verplicht gesteld en worden de geldbedragen
uitgekeerd bij wijze van uitkeringen.
Sociale voorzieningen: Deze stellen geen eisen ten aanzien van voorafgaande verzekering. De
uitkering wordt verstrekt als men op enig moment aan de wettelijke voorwaarden voldoet.
Eigen spaarvormen: De betrokkene heeft dan ergens een spaarrekening ondergebracht waaruit hij
voor bepaalde doeleinden geld kan onttrekken zonder dat de fiscus heffingen oplegt.
Sommige uitkeringen houden rekening met andere inkomsten die een persoon heeft. Bijvoorbeeld
voor de bijstand komt men alleen in aanmerking als de eigen middelen onder het bestaansminimum
liggen (middelentoets).
De meeste uitkeringen zijn in geld, sommige zijn in natura. Denk hierbij aan de hulp die door een
huisarts wordt verleend of een operatie in het ziekenhuis. Veel uitkeringen strekken tot het
compenseren van inkomensverlies. Andere zijn erop gericht belemmeringen weg te nemen die de
burger ondervindt om zelfstandig in het bestaan te voorzien, zoals voorzieningen voor
gehandicapten.
Waarborgfunctie: Regelingen die bescherming bieden bij sociale risico’s en bij behoeftigheid en die
uitkeringsgerechtigden steun geven bij het vinden van werk.
De waarborgfunctie heeft een dubbele betekenis: minimumbescherming en bescherming tegen
inkomensderving. Sommige regelingen geven namelijk recht op een sociaal minimum (AOW), terwijl
andere regelingen uitkeringen verstrekken die de hoogte van het voorheen genoten loon reflecteert
(WW).
Activeringsfunctie: Uitkeringsgerechtigden te re-integreren op de arbeidsmarkt.
Het huidige stelsel van sociale zekerheid is voortgekomen uit initiatieven voor de bescherming van
arbeiders en armen.
De term sociale zekerheid werd voor het eerst gebruikt in 1935 ter aanduiding van een wet die dat
jaar werd aangenomen onder het presidentschap van Franklin Roosevelt: The Social Security Act.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft het socialezekerheidsbegrip wereldwijd gelding gekregen.
Armoede is geen natuurlijk verschijnsel waarin de mens moet berusten, iedereen heeft recht op
bestaanszekerheid en de overheid moet hierin een bepaalde verantwoordelijkheid toekomen.
Horizontale solidariteit: Wanneer leden van een groep onderling risico’s delen.
Verticale solidariteit: De eenzijdige steun van rijken ten opzichte van armen.
Het verzekeringsprincipe: De mensen verzekeren zich tegen een onzekere gebeurtenis tegen
betaling van een premie.
Sociale verzekeringen: Hierbij is de verzekering verplicht gesteld en worden de geldbedragen
uitgekeerd bij wijze van uitkeringen.
Sociale voorzieningen: Deze stellen geen eisen ten aanzien van voorafgaande verzekering. De
uitkering wordt verstrekt als men op enig moment aan de wettelijke voorwaarden voldoet.
Eigen spaarvormen: De betrokkene heeft dan ergens een spaarrekening ondergebracht waaruit hij
voor bepaalde doeleinden geld kan onttrekken zonder dat de fiscus heffingen oplegt.
Sommige uitkeringen houden rekening met andere inkomsten die een persoon heeft. Bijvoorbeeld
voor de bijstand komt men alleen in aanmerking als de eigen middelen onder het bestaansminimum
liggen (middelentoets).
De meeste uitkeringen zijn in geld, sommige zijn in natura. Denk hierbij aan de hulp die door een
huisarts wordt verleend of een operatie in het ziekenhuis. Veel uitkeringen strekken tot het
compenseren van inkomensverlies. Andere zijn erop gericht belemmeringen weg te nemen die de
burger ondervindt om zelfstandig in het bestaan te voorzien, zoals voorzieningen voor
gehandicapten.
Waarborgfunctie: Regelingen die bescherming bieden bij sociale risico’s en bij behoeftigheid en die
uitkeringsgerechtigden steun geven bij het vinden van werk.
De waarborgfunctie heeft een dubbele betekenis: minimumbescherming en bescherming tegen
inkomensderving. Sommige regelingen geven namelijk recht op een sociaal minimum (AOW), terwijl
andere regelingen uitkeringen verstrekken die de hoogte van het voorheen genoten loon reflecteert
(WW).
Activeringsfunctie: Uitkeringsgerechtigden te re-integreren op de arbeidsmarkt.