HOORCOLLEGE 1
INTRODUCTIEBIJEENKOMST
Leidraad
De meest gekozen rechtsvorm van een zorginstelling is de stichting ex artikel 2:285 BW. In
een stichting zijn er geen leden.
Discrepanties
Er bestaat een discrepantie tussen het regelsysteem (de wet) en de omvang van de organisatie.
De manier waarop de wetgever omgaat met NFPO’s (organisaties die niet streven naar winst
ter uitkering aan investeerders. Deze organisaties maken wel winst, maar niet met als doel
return-on-investment and shareholders value). Dit kunnen ideële stichtingen, verenigingen,
coöperaties, waarborgmaatschappijen of hele complexe ondernemingen zoals in de zorg,
volkshuisvesting of onderwijs. Deze ondernemingen gebruiken vaak de stichting of
vereniging als rechtsvorm. En deze organisaties zijn aangewezen op de geringe wetgeving uit
boek 2, terwijl de organisatie zo groot is.
De tweede discrepantie is dat de wetgeving is bedoeld voor platte eenvoudige
organisaties, maar deze organisaties zijn inmiddels zeer complex. Het stichtingenrecht dateert
uit 1954, dit is bedoeld voor het doelvermogen. Iemand die geld bijeenbrengt waarvan
bijvoorbeeld een kerk onderhouden moet worden. Dit geldt ook voor de vereniging. Deze
regels zijn door de wetgever in 1925 opgeschreven in de wet van de coöperatie. Dit was het
model voor het moderne verenigingsrecht van 1976, dat was bedoeld voor kleine organisatie.
Een vereniging of stichting is vaak de moedermaatschappij die haar concernleidingsplicht
moet uitoefenen op het concern. Dat concern bestaat uit meerdere dochtermaatschappijen.
Daarmee zijn de stichtingen/ondernemingen niet alleen een moedermaatschappij, maar ze
drijven ook een concernonderneming met een ondernemingsraad en overleg met vakbonden.
Kunnen we dan volstaan met de wetgeving uit boek 2 (zie volgende week)?! Is er in de
tussentijd iets gebeurd waardoor regelgeving is opgenomen om deze complexe organisaties te
reguleren?
INTRODUCTIEBIJEENKOMST
Leidraad
De meest gekozen rechtsvorm van een zorginstelling is de stichting ex artikel 2:285 BW. In
een stichting zijn er geen leden.
Discrepanties
Er bestaat een discrepantie tussen het regelsysteem (de wet) en de omvang van de organisatie.
De manier waarop de wetgever omgaat met NFPO’s (organisaties die niet streven naar winst
ter uitkering aan investeerders. Deze organisaties maken wel winst, maar niet met als doel
return-on-investment and shareholders value). Dit kunnen ideële stichtingen, verenigingen,
coöperaties, waarborgmaatschappijen of hele complexe ondernemingen zoals in de zorg,
volkshuisvesting of onderwijs. Deze ondernemingen gebruiken vaak de stichting of
vereniging als rechtsvorm. En deze organisaties zijn aangewezen op de geringe wetgeving uit
boek 2, terwijl de organisatie zo groot is.
De tweede discrepantie is dat de wetgeving is bedoeld voor platte eenvoudige
organisaties, maar deze organisaties zijn inmiddels zeer complex. Het stichtingenrecht dateert
uit 1954, dit is bedoeld voor het doelvermogen. Iemand die geld bijeenbrengt waarvan
bijvoorbeeld een kerk onderhouden moet worden. Dit geldt ook voor de vereniging. Deze
regels zijn door de wetgever in 1925 opgeschreven in de wet van de coöperatie. Dit was het
model voor het moderne verenigingsrecht van 1976, dat was bedoeld voor kleine organisatie.
Een vereniging of stichting is vaak de moedermaatschappij die haar concernleidingsplicht
moet uitoefenen op het concern. Dat concern bestaat uit meerdere dochtermaatschappijen.
Daarmee zijn de stichtingen/ondernemingen niet alleen een moedermaatschappij, maar ze
drijven ook een concernonderneming met een ondernemingsraad en overleg met vakbonden.
Kunnen we dan volstaan met de wetgeving uit boek 2 (zie volgende week)?! Is er in de
tussentijd iets gebeurd waardoor regelgeving is opgenomen om deze complexe organisaties te
reguleren?