Psychopathologie h16
Wie ben jij?
- Het vermogen tot zelfkennis is een buitengewoon belangrijke factor in het werken met mensen
- Als je antwoordt op de vraag ‘wie ben ik’ maak je gebruik van het bijzondere vermogen om
over jezelf na te denken, naar jezelf te kijken, haast als of het over iemand anders gaat.
- Zelfkennis als bron voor alle kennis
Geestelijke vermogens als oorzaak van de persoonlijkheid
1. Buitenwereld
2. Gebeurtenis
3. (Binnen) waarnemen
4. (Binnen) denken
5. (Binnen) voelen
6. (Binnen) willen
7. (Buiten) gedragingen, uitspraken, handelingen = persoonlijkheid
Persoonlijkheid
- Ieder mens heeft verschillende karaktertrekken of vaste gedragspatronen die hem
onderscheiden van anderen
- Deze ‘eigen aard’ waarmee iemand zich in de omgang herkenbaar onderscheidt van andere
noemen we persoonlijkheid
- Het subjectieve beeld wat de persoon van zichzelf heeft noemen we identiteit
- Wanneer het ‘karakter’ de totale levenswijze gaat domineren en leidt tot moeilijkheden,
noemen we dit een persoonlijkheidsstoornis
Geschiedenis
- Binnen het sociale werkveld kom je uiteenlopende karakters tegen
- De ene mens is flegmatisch, passief, de ander opvliegend en heetgebakerd
- Door de jaren heen zijn er een aantal persoonlijkheidstheorieën ontworpen.
- Deze theoretische modellen hebben we nodig om jezelf en anderen te karakteriseren
- Dit doet de mens als sinds de klassieke tijd
- Echter de bestaande modellen zijn cultuur en tijdsgebonden
Diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis
- Een duurzaam, diepgaand en star patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat binnen
de cultuur van betrokkene duidelijk afwijkt van de verwachtingen
- Het patroon uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties en wordt
zichtbaar op ten minste twee van de volgende terreinen
o Cognities (de wijze van waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en
gebeurtenissen)
o Affecten (de draagwijdte, intensiteit, labiliteit en de adequaatheid van de emotionele
reacties)
o Functioneren in het contact met anderen
o Beheersing van de impulsen
- Het patroon is stabiel in de loop van de tijd en begint typisch in de adolescentie of vroege
volwassenheid
- Het patroon veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal en
beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Cluster a, b en c
- A is excentriek (bizarre) cluster
- B is dramatische cluster
- C is angstige cluster
Wie ben jij?
- Het vermogen tot zelfkennis is een buitengewoon belangrijke factor in het werken met mensen
- Als je antwoordt op de vraag ‘wie ben ik’ maak je gebruik van het bijzondere vermogen om
over jezelf na te denken, naar jezelf te kijken, haast als of het over iemand anders gaat.
- Zelfkennis als bron voor alle kennis
Geestelijke vermogens als oorzaak van de persoonlijkheid
1. Buitenwereld
2. Gebeurtenis
3. (Binnen) waarnemen
4. (Binnen) denken
5. (Binnen) voelen
6. (Binnen) willen
7. (Buiten) gedragingen, uitspraken, handelingen = persoonlijkheid
Persoonlijkheid
- Ieder mens heeft verschillende karaktertrekken of vaste gedragspatronen die hem
onderscheiden van anderen
- Deze ‘eigen aard’ waarmee iemand zich in de omgang herkenbaar onderscheidt van andere
noemen we persoonlijkheid
- Het subjectieve beeld wat de persoon van zichzelf heeft noemen we identiteit
- Wanneer het ‘karakter’ de totale levenswijze gaat domineren en leidt tot moeilijkheden,
noemen we dit een persoonlijkheidsstoornis
Geschiedenis
- Binnen het sociale werkveld kom je uiteenlopende karakters tegen
- De ene mens is flegmatisch, passief, de ander opvliegend en heetgebakerd
- Door de jaren heen zijn er een aantal persoonlijkheidstheorieën ontworpen.
- Deze theoretische modellen hebben we nodig om jezelf en anderen te karakteriseren
- Dit doet de mens als sinds de klassieke tijd
- Echter de bestaande modellen zijn cultuur en tijdsgebonden
Diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis
- Een duurzaam, diepgaand en star patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat binnen
de cultuur van betrokkene duidelijk afwijkt van de verwachtingen
- Het patroon uit zich op een breed terrein van persoonlijke en sociale situaties en wordt
zichtbaar op ten minste twee van de volgende terreinen
o Cognities (de wijze van waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen en
gebeurtenissen)
o Affecten (de draagwijdte, intensiteit, labiliteit en de adequaatheid van de emotionele
reacties)
o Functioneren in het contact met anderen
o Beheersing van de impulsen
- Het patroon is stabiel in de loop van de tijd en begint typisch in de adolescentie of vroege
volwassenheid
- Het patroon veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal en
beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Cluster a, b en c
- A is excentriek (bizarre) cluster
- B is dramatische cluster
- C is angstige cluster