2.1 De Verlichting (1650-1900)
In de 16e en 17e eeuw keken geleerden niet meer met de bijbel maar zelfstandig naar de wereld. Deze
vernieuwing leidde tot de wetenschappelijke revolutie (rond 1600). Dit hing samen met:
- Door ontdekkingsreizen werd een nieuwe wereld ontdekt, het Bijbelse wereldbeeld klopte niet. Er
, werd gezocht naar verklaringen voor deze ontdekkingen
- Er was een vernieuwde interesse in de Griekse en Romeinse cultuur door geleerden. Deze
, geleerdencultuur wordt het humanisme genoemd. Oude teksten werden anders geïnterpreteerd.
- Er kwam discussie over of je het best kennis kon vergaren met rationalisme (logisch nadenken) of
, met empirisme (uitgaan van zintuiglijke waarnemingen)
- Wetenschap werd toegepast op ambachtelijke kennis, waardoor nieuwe onderzoeksinstrumenten
, kwamen
Mensen vonden dat deze veranderingen ook op de samenleving moesten worden toegepast en dat
betekende het begin van de Verlichting (rond 1650). Er kwamen discussies voer de positie van
godsdienst in de samenleving. Door nieuwe ontdekkingen gedaan werden kwam de kerk onder druk
te staan, want de wereld bleek meer natuurkundig te zijn en minder afhankelijk van god. Na veel
debat zagen verlichte denkers steeds meer dat geloof persoonlijk was en niet iets wat een vorst kan
opleggen. Volgens hen was ook iedereen gelijk
De verlichte filosofen hadden een vooruitgangsgedachte wat leidde tot ideeën over opvoeding en
onderwijs. Onderwijs verspreidde kennis en bood weerstand tegen misvattingen en moest op jonge
leeftijd beginnen. Wel dachten sommige dat niet alles met rede op te lossen was.
Locke en Rousseau dachten na over hoe de burgers te beschermen tegen machtsmisbruik van de
staat, daarbij gingen ze uit van het natuurrecht (iedereen heeft bepaalde rechten, zoals leven en
bezit). De macht lag bij het volk, maar er was sprake van een sociaal contract. Volgens Locke moest
de vorst zich aan wetten houden en de onderdanen beschermen en geen misbruik maken van zijn
macht. Wanneer de vorst zich hier niet aan hield mocht hij worden afgezet.
Volgens Rousseau was er sprake van algemene wil. De wetten moesten zijn wat alle burgers wilden,
dus geen zelfstandig bestuur, maar de burgers beslissen (directe democratie). Volgens hem zou dit
goud zijn voor armen en slaven.
Volgens Montesquieu was er een scheiding der machten nodig. Een wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht. Adam Smith was ook te grote staatsinvloed, maar dan economisch.
Door de Verlichting werd er steeds meer kennis verspreid, waardoor een publieke opinie ontstond.
Dit kon zich tegen de autoriteit keren, daardoor werd het verspreiden van bepaalde kennis soms
verboden.
De periode van de Verlichting viel samen die van het absolutisme. Door centralisatie probeerden
vorsten hun macht te behouden en zij rechtvaardigden hun macht met de droit divin (God had hen
aangesteld). In sommige landen waren er vorsten die verlichte ideeën hanteerde in combinatie met
het absolutisme (verlicht absolutisme). Deze vorsten dachten zij het best een land konden besturen
met hun verlichte idealen