Minor IKZ: vitale functiekunde
Klinisch redeneren vitale functiekunde
Onderdeel 1: Samenvatting werkcollege 1
, SBAR wordt gebruikt om methodisch over te dragen.
4 vragen van klinisch redeneren blijven belangrijk. Samen met de
verschillende scores, zoals AMPLE, NEWS, EMV etc. Hiermee kom
je tot een soort werkdiagnose. Je start voorzichtig een
behandeling en draagt over aan de arts.
De bedoeling is dus, steeds beoordelen van de patiënt en
voorzichtig opstarten van een behandeling en overdragen middels
de SBAR. Voorbeelden van een behandeling starten is zuurstof
toedienen of het ophogen van zuurstof, starten van een
verneveling, prikken van een infuus. Dus simpele dingen bv niet
met antibiotica behandeling starten, maar zeggen dat een
antibiotica behandeling eventueel nodig is.
ICF gaat over de gevolgen van een ziekte. Wat voor gevolgen het
heeft voor het functioneren van patiënt. En dan vooral in de
activiteiten en participatie. Bij ICD kijk je naar welke ziekte aan de
hand is en wat eventuele gevolgen voor de vitale functies. De een
is dus verpleegkundig georiënteerd en de andere medisch. ICD is
dus meer gefocust op ziekte.
ICF: Gericht op functies en gevolgen van ziekten.
ICD: Gericht op ziekte zelf.
Klinisch redeneren vitale functiekunde
Onderdeel 1: Samenvatting werkcollege 1
, SBAR wordt gebruikt om methodisch over te dragen.
4 vragen van klinisch redeneren blijven belangrijk. Samen met de
verschillende scores, zoals AMPLE, NEWS, EMV etc. Hiermee kom
je tot een soort werkdiagnose. Je start voorzichtig een
behandeling en draagt over aan de arts.
De bedoeling is dus, steeds beoordelen van de patiënt en
voorzichtig opstarten van een behandeling en overdragen middels
de SBAR. Voorbeelden van een behandeling starten is zuurstof
toedienen of het ophogen van zuurstof, starten van een
verneveling, prikken van een infuus. Dus simpele dingen bv niet
met antibiotica behandeling starten, maar zeggen dat een
antibiotica behandeling eventueel nodig is.
ICF gaat over de gevolgen van een ziekte. Wat voor gevolgen het
heeft voor het functioneren van patiënt. En dan vooral in de
activiteiten en participatie. Bij ICD kijk je naar welke ziekte aan de
hand is en wat eventuele gevolgen voor de vitale functies. De een
is dus verpleegkundig georiënteerd en de andere medisch. ICD is
dus meer gefocust op ziekte.
ICF: Gericht op functies en gevolgen van ziekten.
ICD: Gericht op ziekte zelf.