Les 1: De ontwikkeling en het belang van vastgoed en de sector voor de maatschappij beschrijven.
Onroerend goed = De grond, de daarop aanwezige infrastructuur en gebouwen en al wat
daarmee in juridische termen ‘aard en nagelvast’ is verbonden. Het gaat
hierbij dus om de onverplaatsbare, locatie gebonden zaken.
Vastgoed = De grond en het gebouw dat erop staat. De infrastructuur, die wel wordt
vergrepen onder onroerend goed, valt dus buiten het begrip vastgoed.
‘commercieel’ slaat op de aard van de functies die uitgeoefend worden in
een gebouw (winkel, kantoren, bedrijf) of woningbouw.
Vastgoedmarkt = Vraag en aanbod van vastgoed. Naar eigendomssituatie of opdrachtgever.
Europese stad: Enorme variatie gelaagdheid (inspiratie), specifieke gelaagdheden
(herkenning). Respecteren en herwaarderen: rust, helderheid en
functionaliteit.
Privaatrecht = tussen burgers onderling = handelsrecht en burgerlijk recht
(verzekeringsrecht, huurrecht en zakenrecht)
Publiekrecht = burgers en overheid = strafrecht, staatsrecht, belastingrecht en
bestuursrecht.
Gebouw = elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of
gedeeltelijk met wanden omsloten, ruimte vormt. (ook leidingen en kabels
horen bij het vastgoed). Niet voor permanent gebruik = roerend goed.
Sociale woningbouw = Woningwet 1901 kwaliteitseisen aan bouw & financiering van gemeentes aan
woningcorporaties. Jaren 20 (architect), Na WOII (woningnood), jaren 50/60
(standaardisatie/productie), jaren 70 (kwaliteit en inspraak).
Bouwen = Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen
en het vergroten van een bouwwerk en standplaats.
Bouwconstructie = Een knooppunt van bouwdelen die samen een functionele eenheid van een
gebouw vormen.
Bouwdeel = Een of meer materialen die een gebouwonderdeel vormen. (goot, kozijn)
Bouwwerk = Volgens de modelbouwverordening: elke constructie van enige omvang van
metaal, steen, hout of ander materiaal die op de plaats van bestemming
hetzij direct/indirect met de grond verbonden is/steun vindt op de grond,
bedoeld om ter plaatse te functioneren.
Exploitatiekosten = Alle kosten voor het in eigendom hebben van een gebouw.
Gebouw = Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of
gedeeltelijk met wanden omgesloten ruimte vormt.
Onderhoud = Het in stand houden van de oorspronkelijke prestatie van het gebouw.
Onderhoudsobject = Een gebouw of een deel van een gebouw dat uit het oogpunt van onderhoud
een eenheid vormt.
Wettelijke levensduur van een gebouw = De tijd dat het gebouw blijft voldoen aan de eisen die
vanuit de wet zijn gesteld.
Verblijfsruimte = Een besloten ruimte die bestemd is voor het verblijven van mensen.
Verblijfsgebied = Een besloten ruimte tie bestaat uit een of meer met elkaar in verbinding
staande, op dezelfde bouwlaag gelegen verkeersruimten anders dan een
toilet- of badruimte, gemeenschappelijke verkeersruimte of technische
ruimte.
Real Estate Life Cycle: Vastgoedexploitatie tegenover vastgoed(her)ontwikkeling en daartussen:
vastgoedwaardering.