Meerkeuzevragen voor tentamen A
Hoorcollege 1
1. Wat is de belangrijkste opvatting van stabiliteitsdenkers over intelligentie?
a) Goed onderwijs kan intelligentie verhogen.
b) Intelligentie is aangeboren en kan niet worden verhoogd door onderwijs.
c) Intelligentie is afhankelijk van de omgeving.
d) Intelligentie is afhankelijk van genetische en omgevingsfactoren.
2. Wat is het verschil tussen nature en nurture?
a) Nature verwijst naar biologische factoren en nurture verwijst naar aangeleerde
gedragingen.
b) Nature verwijst naar aangeleerde gedragingen en nurture verwijst naar biologische
factoren.
c) Nature en nurture verwijzen allebei naar aangeleerde gedragingen.
d) Nature en nurture verwijzen allebei naar biologische factoren.
3. Wat is epigenese?
a) Het proces waarin de interacties met de omgeving zorgt voor het ontstaan van nieuwe
systeemeigenschappen.
b) De wederzijdse interacties tussen verschillende niveaus van het organisme en de
omgeving.
c) Het resultaat van genetische en omgevingsfactoren.
d) De beschrijving, verklaring en beïnvloeding van intra-individuele verandering in gedrag
gedurende de levensloop.
4. Wat is de belangrijkste bijdrage van de hechtingstheorie?
a) Dat kinderen zich ontwikkelen in een sociaal-culturele context.
b) Dat kinderen gedrag kunnen aanleren door conditionering.
c) Dat kinderen een natuurlijke neiging hebben tot hechting.
d) Dat kinderen controle over hun leven kunnen krijgen door interacties met hun omgeving.
5. Wat is het belangrijkste verschil tussen de sociale cognitieve theorie en de sociale
leertheorie?
a) De sociale cognitieve theorie legt meer nadruk op imitatie en modeling.
b) De sociale cognitieve theorie legt meer nadruk op de ontwikkeling van self-efficacy.
c) De sociale cognitieve theorie legt meer nadruk op cultureel leren.