Persoonsvorm tegenwoordige tijd:
Lopen gebruiken
Als je een t hoort (loopt), stam +t
Zo niet, stam.
Persoonsvorm verleden tijd:
Sterk: klinkerverandering
Vind vond (nooit dt)
Zwak: stam + de(n)/ te(n)
Afhankelijk van het ’t ex kofschip +t
Heel werkwoord – en, laatste letter in ’t ex kofschip, dan t anders d.
Voltijd deelwoord:
’t ex kofschip t en anders d.
Net als zwak verledentijd. + ge- /be- / ver-
Werkwoord als bijvoeglijk naamwoord:
Maak een voltijd deelwoord.
Eindigt deze op:
- D of t zo kort mogelijk schrijven
De bomen zijn geplant, de geplante bomen
- En ook bij bijvoeglijk naamwoord.
Het vlees is gebraden, het gebraden vlees
Infinitief (hele werkwoord)
Als het al het bovenste niet is óf na te, schrijf je het hele werkwoord.
Dat was te verwachten.
Engelse werkwoorden
De meesten: op de Nederlandse manier
Sommigen: blijven de e staan omdat de uitspraak anders verandert.
Bijvoorbeeld: timen, saven, racen
Bijzondere werkwoorden
Scoren- scoorde, gescoord
Choken- chookte, gechookt.