1.1 Inleiding
Productiviteit wordt bepaald door genetische component en milieufactoren.
Al sinds domesticatie hebben mensen dieren gehuisvest voor
Controle van
- Groei en groei efficiëntie
- Reproductie
- Productie
- Gezondheid en ziekten
Manipulatie van
- Gedrag
- Voeding
- Reproductie
- Levensduur/gebruiksduur
Conditionering van
- Klimaat
- Gezondheid en ziekten
Positieve aspecten huisvesting: zekerheid voedselvoorziening, bescherming klimaat
Negatieve aspecten huisvesting: minder keuzemogelijkheden, groot aantal dieren bij elkaar
Meten effecten huisvesting:
1. Gedrag stereotiep gedrag
2. Hormoonspiegels stress (cortisol/adrenaline) en reproductie hormonen
3. Vruchtbaarheid oestrusexpressie
4. Gezondheid en ziekteresistentie
5. Productie
6. Groei
7. Warmteproductie/-afgifte
1.2 Homeostase
min of meer stabiele toestand van het interne milieu van een dier, te denken aan
lichaamstemperatuur, pH, suikergehalte bloed. Een verstoring wordt waargenomen door een sensor
en vergeleken met een setpoint in het centrale zenuwstelsel. Wanneer er een afwijking wordt
gevonden zal er een reactie plaatsvinden door middel van neurale/endocriene reacties zodat
opnieuw homeostase wordt bereikt. Echter, wanneer de stressor langdurig aanhoudt zal er adaptatie
op treden.
Adaptatie aan stressors:
Acclimatie geheel van reacties die optreden bij verandering van één bepaalde
omgevingsfactor
Acclimatisatie geheel van reacties die optreden na meer complexe veranderingen in klimaats-
en/of huisvestingsomstandigheden. Door vele factoren tezamen
Habituatie/gewenning aanpassing aan herhaalde prikkel
1.3 Reallocatie van energie