Het lidwoord
De, het
Enkelvoud: Mannelijk = le (vb. le garçon = de jongen)
Vrouwelijk = la (vb. la fille = het meisje)
Klinker = l’ (vb. l’oncle = de oom)
Meervoud = les (vb. les livres = de boeken)
Een
Enkelvoud : Mannelijk = un (vb. un garçon = een jongen)
Vrouwelijk = une (vb. une fille = een meisje)
Meervoud = des (vb. des garçons = jongens)
De regelmatige werkwoorden op -er
Vb.: travailler (=werken), chercher (=zoeken), commencer (=beginnen), aimer (= houden van)
1. Regel: haal -er van het hele werkwoord af, dan heb je de stam.
Je travaille
Tu travailles
Il, elle, on travaille
Nous travaillons (alleen deze uitgangen spreek je uit)
Vous travaillez (alleen deze uitgangen spreek je uit)
Ils, elles travaillent
2. Voeg de juiste uitgang toe (zie hierboven)
Vb. Wij zoeken = nous cherchons
Ik begin = je commence
Zij houden van = ils aiment
De klok
Hoe laat is het? = Quelle heure est-il?
Het is…= Il est…
Om…= À…
Eén uur = une heure
Twee uur = deux heures (s bij meervoud)
Tien uur = dix heures (s bij meervoud)
Half drie (2:30) = deux heures et demie
, Kwart voor twee = deux heures moins le quart
Kwart over twee = deux heures et quart
12 uur ‘s middags = midi
12 uur ‘s nachts = minuit
Half 1 ’s nachts = minuit et demi
Half 1 ’s middags = midi et demie
De ontkenning
Vb. Tu as un crayon? -Non, je n’ai pas de crayon.
Ontkenning = ne … pas (niet/geen)
‘Ne’ plaats je voor de persoonsvorm (ne wordt n’ bij een klinkerbotsing)
‘Pas’ plaats je na de persoonsvorm
Na een ontkenning wordt ‘un, une, des’ -> ‘de’
Het werkwoord ‘avoir’
Avoir = Hebben
Ik heb j’ai
Jij hebt tu as
Hij/zij/het heeft il/elle/on a
Wij hebben nous avond
Jullie hebben vous avez
Zij hebben ils/elles ont