a. geluksberekening
b. karaktervorming
c. minimalisering van leed
d. autonoom denken
2. Volgens Kant handelt een echt vrij mens vanuit
a. zijn innerlijke neigingen en verlangens
b. inzicht in de effecten van zijn handelen
c. goede gezindheid
d. zorg voor zichzelf
3. Welke van de volgende deugden hoort bij de zorgdeugden?
a. competentie
b. moed
c. maat
d. wijsheid
4. “Dat kun je nu wel zeggen, maar iedereen weet dat het niet klopt wat je zegt”.
Deze redenering is
a. een cirkelredenering
b. een populistische drogreden
c. een valse analogie
d. een naturalistische drogreden
5. In het 3-wereldenschema van Van der Laan spelen o.a. expressieve
competenties een rol bij professionele legitimatie. Een valkuil bij een te zwaar
accent op die expressieve competenties is volgens hem
a. verzakelijking
b. therapeutisering
c. moralisering
d. vermaatschappelijking
6. In de Beroepscode voor de maatschappelijk werker wordt de mogelijkheid
geboden om een cliënt niet te helpen, maar door te verwijzen. Er zijn volgens de
code drie goede redenen om dat te doen. Daartoe behoort NIET
a. Agressie van de cliënt
b. Het niet passen bij de doelstelling van de organisatie
c. Een hulpvraag die een ander specialisme vraagt
d. Een tekortschietende deskundigheid van de hulpverlener