VBA Belastingrecht H1: Algemene inleiding (2023)
Functies belastingen:
A. Budgettaire functie = fiscaal doel
a. belastingopbrengst bijdraagt aan financiering collectieve goederen en
diensten
B. Instrumentele functie = niet-fiscaal doel
a. andere doelen nagestreefd
b. stimuleren gedrag → verlaging
c. weerhouden gedrag → verhoging
Soorten heffingen:
1. belastingen
a. verplichte bijdragen door burgers zonder dat daar een specifieke
tegenprestatie tegenover staat
2. retributies
a. vergoedingen die een burger moet betalen omdat hij een bepaalde diensten
van de overheid afneemt
3. premies
Belastingen uitsluitend geheven o.g.v. wet → zelfde opbouw:
A. Subject van heffing
B. Object van heffing
C. Wijze van heffing
D. Verschuldigde tarief/bedrag
Fiscaal jargon:
● uitsluitend/geheel = 100%
● nagenoeg geheel = 90%
● hoofdzakelijk = 70%
● grotendeels = 50%
● in belangrijke mate = 30%
● in enigszins belangrijke mate = 15%
● bijkomstig/ in betekende mate = 10%
● gering = 5%
Soorten belastingen:
1. Directe en indirecte belastingen
a. direct = geheven bij degene die de belasting zelf moet betalen (IB)
b. indirect = degene bij wie de belasting wordt geheven, berekent de belasting
door aan een ander → afwentelen op de afnemer (OB)
2. Tijdstip- en tijdvakbelastingen
a. tijdvak = verschuldigde belasting die in de loop van een tijdvak is ontstaan,
moet na afloop van dit tijdvak worden afgedragen of voldaan (OB/IB)
b. tijdstip = belastingheffing die betrekking heeft op gebeurtenis op specifiek
tijdstip (DB, OVB)
3. Aanslag- en aangiftebelastingen
Functies belastingen:
A. Budgettaire functie = fiscaal doel
a. belastingopbrengst bijdraagt aan financiering collectieve goederen en
diensten
B. Instrumentele functie = niet-fiscaal doel
a. andere doelen nagestreefd
b. stimuleren gedrag → verlaging
c. weerhouden gedrag → verhoging
Soorten heffingen:
1. belastingen
a. verplichte bijdragen door burgers zonder dat daar een specifieke
tegenprestatie tegenover staat
2. retributies
a. vergoedingen die een burger moet betalen omdat hij een bepaalde diensten
van de overheid afneemt
3. premies
Belastingen uitsluitend geheven o.g.v. wet → zelfde opbouw:
A. Subject van heffing
B. Object van heffing
C. Wijze van heffing
D. Verschuldigde tarief/bedrag
Fiscaal jargon:
● uitsluitend/geheel = 100%
● nagenoeg geheel = 90%
● hoofdzakelijk = 70%
● grotendeels = 50%
● in belangrijke mate = 30%
● in enigszins belangrijke mate = 15%
● bijkomstig/ in betekende mate = 10%
● gering = 5%
Soorten belastingen:
1. Directe en indirecte belastingen
a. direct = geheven bij degene die de belasting zelf moet betalen (IB)
b. indirect = degene bij wie de belasting wordt geheven, berekent de belasting
door aan een ander → afwentelen op de afnemer (OB)
2. Tijdstip- en tijdvakbelastingen
a. tijdvak = verschuldigde belasting die in de loop van een tijdvak is ontstaan,
moet na afloop van dit tijdvak worden afgedragen of voldaan (OB/IB)
b. tijdstip = belastingheffing die betrekking heeft op gebeurtenis op specifiek
tijdstip (DB, OVB)
3. Aanslag- en aangiftebelastingen