Inhoud
Voeding Hoorcollege – week 1: Koolhydraten......................................................................................... 2
Voeding Hoorcollege – week 2: Vetten ................................................................................................... 8
Voeding Hoorcollege – week 3: Eiwitten ............................................................................................... 16
Voeding Hoorcollege – week 4: Alcohol ................................................................................................ 22
Voeding Hoorcollege – week 5: Zout ..................................................................................................... 29
Voeding Hoorcollege – week 6: Vezels .................................................................................................. 32
Hoorcollege bewegen (incl. sportpracticum) ......................................................................................... 38
Voeding en fysiologie oefenvragen ........................................................................................................ 43
Voeding en fysiologie vragen antwoorden oefenvragen ....................................................................... 46
DOOR BLOEB3
2016/2017
1
,Voeding Hoorcollege – week 1: Koolhydraten
Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
Je definieert glycemische index en glycemische lading en onderbouwt de voor- en nadelen
van het toepassen van deze concepten.
Je benoemt gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
Je beschrijft de inname van koolhydraten in Nederland en vergelijkt dit met de richtlijn.
Koolhydraten zij niet het zelfde als suikers. Alle suikers zijn koolhydraten
maar niet alle koolhydraten zijn suikers.
Glucose en galactose worden via de zelfde weg opgenomen (actief
transport)
Fructose wordt anders geabsorbeerd, via gefaciliteerde diffusie
Verhoudingen amylose/amylopectine (polysaccharide) ligt meestal rond
de 1/3 maar dit verschilt per zetmeelbron.
Amylopectine kan sneller worden verteerd dan amylose doordat het meer
vertakt is. Amylase kan alleen bij de uiteinde ‘knippen’ dus
met een meer vertakte zetmeel gaat dit gemakkelijker
2
, Fotosynthese ^
Suikers hebben veel verschillende namen
- Dextrose = glucose = druivensuiker
- Sacharose = sucrose = tafelsuiker
- Maltose = moutsuiker
- Lactose = melksuiker
- Fructose = vruchtensuikers
- Dextrines -> afbraakproduct van zetmeel (oligosachariden)
Waarom heb je koolhydraten nodig?
- Koolhydraten leveren ongeveer 50% van de energie die je nodig hebt
o Aanbeveling gezondheidsraad zegt dat je inname minimaal voor 40% uit
koolhydraten moet bestaan
- Glucose levert energie voor de hersenen
o Hersenen gebruiken geen vetten voor brandstof ook al is vet de op 1 na grootste
energie bron voor mensen
- Glucose nodig voor ontwikkeling van rode bloedcellen
o Rode bloedcellen hebben geen mitochondria waar vet verband wordt dus gebruiken
ze glucose
Mensen hebben niet zo’n grote
glycogeenvoorraad. Dus ontstaat
gluconeogenese
- Gluconeogenese
o De vorming van glucose uit
eiwitten (ook glycerol en
lactaat)
- Dit zorgt ook voor stijging
vetverbranding
o Hierdoor vormen
ketonlichamen
3