Fenotype en genotype
- Fenotype = waarneembare eigenschappen, uiterlijk
- Genotype = de informatie voor alle waarneembare erfelijke eigenschappen
- Vanaf de bevruchting ligt het vast welke erfelijke eigenschappen je krijgt, omdat de
chromosomen dan samen komen
Chromosomen
- Langgerekte dunne draden in de celkern, alleen bij delende cellen zichtbaar
- Karyotype/karyogram= rankschikking van chromosomen in een cel
- Autosomen= chromsoomparen,22, 2 chromosomen van zo’n paar=
homologe chromosomen
- 23e paar bepaalt geslacht (geslachtschromosomen)
Gen
- Een gen is een stuk chromosoom en bevat erfelijke info voor
eigenschappen
- 1 chromosoom bestaat uit een hele lange draad DNA en veel eiwitmoleculen
- DNA bestaat uit een fosfaatgroep, stikstofbase en desoxyribose (nucleotiden)
- DNA bevindt zich in een celkern en soms in bladgroen
- DNA-sequentie = specifieke volgorde van stikstofbasen(A,T,C,G)
- Wanneer je genen aan staan heet het genexpressie, uit is inactivatie
Invloed van milieufactoren en modificaties
- Het fenotype wordt bepaald door het genotype en milieufactoren(roken, temperatuur)
- Een modificatie(storm) verandert het fenotype, maar niet het genotype, dus het wordt niet
doorgegeven
- Aangeboren afwijking= afwijking die in de baarmoeder ontstaat
- Erfelijke ziekte= ziekte die is overgedragen van de ouders
, 3.2
Homozygoot en heterozygoot
- Locus= de plaats van een gen in een chromosoom
- Homozygoot= twee gelijke allelen
- Heterozygoot= twee verschillende allelen
Dominant en recessief
- Dominante allel= het allel dat tot uiting komt bij een heterozygoot persoon
- Recessieve allel= het allel dat niet tot uiting komt bij een heterozygoot persoon
- Drager= iemand die heterozygoot is en het recessieve allel dus kan doorgeven
- Onvolledig dominant= heterozygoot, maar het recessieve komt nog een beetje tot uiting
- Intermediair= mengvorm Bijv. AA=rood Aa=roze aa=wit
- Codominantie= beide Bijv. AA= rood Aa= rood&wit aa=wit
Genen weergeven
- Dominante allel = hoofdletter Recessive allel = kleine letter
- Beide tot uiting = A^rA^r, A^rA^w, A^wA^w
Recombinatie en mutatie
- Recombinatie= herverdelen van erfelijke eigenschappen
Tweelingen
- Een eeneiige tweeling ontstaat door de versmelting van 1 eicel en 1 zaadcel
- De zygote splitst in twee en groeien met precies hetzelfde genotypen
- Een twee-eiige tweeling ontstaat uit 2 zaadcellen en 2 eicellen
- Ze hebben niet hetzelfde genotypen en lijken evenveel op elkaar als normale siblings