3.2)
Literatuur van de zestiende en zeventiende
eeuw → Renaissance
1. Historische context
1.1 Eenheidsstaat
2 belangrijke ontwikkelingen:
- De hervorming (reformatie)
- Het streven van de vorsten naar centralisatie en absolutisme
1.2 Hervorming
Hervorming: ontstond door onvrede over de misstanden van de rooms-katholieke kerk,
burgers waren ontevreden over de macht van de kerk over de maatschappij.
Predestinatie: de opvatting dat het eeuwige heil afhankelijk is van goddelijke uitverkiezing.
Calvinsime: Maarten Luther aan het hoofd, benadrukten het belang van hard werken, ijver,
spaarzaamheid, en plichtbetrachting binnen de maatschappij. → sloot aan bij de ontwikkelde
burgerij.
1.3 Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden
Absolutistische centralisatie politiek: een centraal geregeerde, absolutistische heerschappij
binnen een lang. → het volk van Nederland was hier erg op tegen.
Beeldenstorm: Opstand waarin beelden en heilige eigendommen van kerken werden vernield.
Nederlandse Opstand/ Tachtigjarige oorlog: de opstand die volgde nadat er werd geprobeerd
om een absolutistische centralisatie politiek door te voeren in Nederland.
Republiek van de Zeven Verenigden Nederlanden: Nederland viel uit een tijdens de
Tachtigjarige Oorlog en een deel van het land bleef in de handen van Spanje.
Vrede van Munster: zorgde voor een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. → geen einde aan de
interne tegenstellingen binnen Nederland.
Twaalfjarig Bestand: Een periode van wapenstilstand tussen Nederland en Spanje.
Contraremonstranten: Groep mensen die de predestinatieleer van Calvijn accepteerden.
Remonstranten: Groep mensen die de predestinatieleer van Calvijn niet accepteerden.
Statenbijbel: vertaling van de Bijbel naar het Nederlands.
1.4 Handel en Welvaart
Val van Antwerpen: Antwerpen was lang de belangrijkste handels stad van Noordwest-
Europa en tot Nederlands Spanje behoorde, viel in de handen van Spanje. Dit zorgde er voor
dat de calvanisten, kunstenaars en rijke kooplieden naar Nederland trokken (vooral
Amsterdam).
, 2. Culturele context
2.1 Kennis en wetenschap
Kennis en wetenschap werden bevrijd van de kerk → wat is betrouwbare kennis en hoe ziet
de kosmos en het universum er uit.
Empirisme: betrouwbare kennis is gebaseerd op zintuigelijke ervaring en waarneming.
Tabula Rasa: geboren als een onbeschreven blad → geboren zonder kennis.
Rationalisme: Kennis ontstaat daar waar niet aan getwijfeld wordt, de basis hiervan ligt in
kritisch verstand
Copernicaanse wending: Onderzoek naar de kosmos veranderde het wereldbeeld in de
middeleeuwen compleet. → zon als middelpunt.
2.2 Humanisme
Humanisme: mens ging nadeken over de mens zelf en haar eigen belangen.
Antropocentrisch: (op de mens gericht) de wereld ging van theocentrisch naar een wereld die
om de mens zelfde draaide.
2.3 Renaissance
Renaissance: ‘wedergeboorte’, poging om de klassieke oudheid in cultuur, kunst en literatuur
te doen herleven en te volgen.
Stadstaten: republieken, zelfstandig en niet gebonden aan een feodale vorst.
Lineaire perspectief: rechte lijnen binnen schilderen die een kenmerk zijn voor kunst uit de
Renaissance.
Romeinse godenwereld en mythologie: het godenstelstel dat in de klassiek oudheid gebruikt
werd.
2.4 Burgerlijke cultuur in de Republiek
Burgerlijke cultuur: Rijke burgers, stadsbesturen en stedelijke instellingen waren de
voornaamste opdrachtgevers van schilders, beeldhouders en architecten.
→ kunst werd ook zonder opdrachtgevers gemaakt.
Exempla contraria: Het weergeven van ongewenst, boers en onbeschaafd gedrag in kunst om
wet wél gewaardeerde normen te propageren.
Schuttersstuk: Schilderijen van de schutterij met wapens. De schutterij was een eigen initiatief
en hielp bij de bescherming van de stad.
→ onderdeel van de stedelijke identiteit.
Genreschilderijen: afbeeldingen van gebeurtenissen uit het dagelijkse leven. Toonden vaak
foutief gedrag om goed gedrag juist te stimuleren.
→ lachen om de fouten van een ander om je eigen gedrag te verbeteren.
2.5 Classicisme
Classicisme: streefde naar een geïdealiseerde weergave van de werkelijkheid. → gebaseerd op
de oudheid. Paste vooral bij de rijkere laag van de samenleven, alles moest rijkdom en macht
uitstralen.
Classicistische toneel: Toneel waarin waarden passend bij het classicisme werden benadrukt.
Classicistische schilderkunst: Schilderijen met mythologie of geschiedenis ontleende
onderwerpen.