Domein E
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 22................................................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 23................................................................................................................................................. 5
Hoofdstuk 24................................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 25............................................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 26............................................................................................................................................... 14
,Hoofdstuk 22
§ 1 doel marketing
Causation -> traditionele marketing
- Op welke klanten gaan we ons richten? (Doelgroep)
- Waarom moeten deze klanten kiezen voor ons bedrijf/product? (Waarde propositie)
Hoofddoelen marketing:
- Informeren doelgroep
- Creëren markt
- Winnen van marktaandeel of klantbehoud
Waardepropositie (reden waarom klant jouw product moet kopen)
- Functionele voordelen voor de klant
- Verkleinde nadelen klant
- Meer emotionele waarden
Klantwaarde -> totale waarde aankopen klant in periode van de relatie
- Doel is niet eenmalig, maar voor zo lang mogelijke tijd
- Waardepropositie moet volgehouden worden
Klantwaardepropositie -> betreft alle aspecten van een product waarvoor een klant wil
betalen en daarmee opbrengsten en succes van de onderneming
- Streven naar onderscheid concurrentie
- Behouden vaste klanten = werven nieuwe klanten
§2 concurrentieanalyse
5-krachtenmodel -> analyse aantrekkelijkheid
bedrijfstak
- Afhankelijk van; leveranciers, kopers, potentiële
toetreders, substituten en concurrentie binnen
bedrijfstak
Horizontale concurrentie:
- Kopers
o Prijsgevoelige kopers -> minder aantrekkelijker
o Beschikbaarheid informatie -> vergroot macht kopers
o Relatieve belang -> kleine kopers minder belangrijk dan grote kopers
- Leveranciers
o Beperken leveranciersmacht -> snel kunnen wisselen van leverancier (houdt
de prijs stabiel)
- Invloed op kosten- en opbrengsten structuren
, Verticale concurrentie
- Potentiële toetreders
o Kapitaalintensief -> veel kapitaalgoederen nodig in verhouding tot totaal
aantal arbeidskrachten (kapitaalintensief = weinig toetreders)
o Schaalvoordelen -> goedkoper produceren door mechanisatie en
automatisering (toetreden is lastig)
o Distributiekanalen -> lastig nieuw product in assortiment winkel te krijgen)
- Concurrentie binnen bedrijfstak
o Aantal concurrenten (veel concurrenten = prijs/kwaliteit belangrijk)
o Productdifferentiatie (plastic tasjes is lastig; automarkt minder beïnvloedbaar)
o Marktcapaciteit -> vraag < aanbod = overcapaciteit -> niet aantrekkelijk
- Substituten
o Veel substituten/ alternatieven -> kopers zijn prijsgevoeliger
o Veel substituten -> weinig ruimte om hoge prijzen te vragen
- Strijden om dezelfde groep consumenten
§3 marktanalyse
3c-model
- Customers
o Productgebruik -> hoe gebruiken groepen klanten producten
o Consumententype -> richt zich op de voor onderneming meest aantrekkelijke
markt
- Corporation
o Imago/ reputatie -> bepalen marktpositie
o Kostenstructuur -> uitbesteden of zelf produceren
- Competition
o Onderscheiden concurrentie dmv -> imago, marktpositie, productontwerp,
uitgebreide garantie enz.
o Identieke producten -> imago is key
§4 portfolioanalyse
Portfolioanalyse = product-marktcombinaties (Boston
Consulting Group)
Questionmarks ->
- Laag marktaandeel, snelgroeiende markt
- Introductiefase (geen duidelijkheid of het aanslaat)
- Mogelijkheid omzet verhogen
Stars ->
- Hoog marktaandeel, snelgroeiende markt
- Groeifase
- Grote kosten dus vaak niet winstgevend
Cash cow->
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 22................................................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 23................................................................................................................................................. 5
Hoofdstuk 24................................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 25............................................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 26............................................................................................................................................... 14
,Hoofdstuk 22
§ 1 doel marketing
Causation -> traditionele marketing
- Op welke klanten gaan we ons richten? (Doelgroep)
- Waarom moeten deze klanten kiezen voor ons bedrijf/product? (Waarde propositie)
Hoofddoelen marketing:
- Informeren doelgroep
- Creëren markt
- Winnen van marktaandeel of klantbehoud
Waardepropositie (reden waarom klant jouw product moet kopen)
- Functionele voordelen voor de klant
- Verkleinde nadelen klant
- Meer emotionele waarden
Klantwaarde -> totale waarde aankopen klant in periode van de relatie
- Doel is niet eenmalig, maar voor zo lang mogelijke tijd
- Waardepropositie moet volgehouden worden
Klantwaardepropositie -> betreft alle aspecten van een product waarvoor een klant wil
betalen en daarmee opbrengsten en succes van de onderneming
- Streven naar onderscheid concurrentie
- Behouden vaste klanten = werven nieuwe klanten
§2 concurrentieanalyse
5-krachtenmodel -> analyse aantrekkelijkheid
bedrijfstak
- Afhankelijk van; leveranciers, kopers, potentiële
toetreders, substituten en concurrentie binnen
bedrijfstak
Horizontale concurrentie:
- Kopers
o Prijsgevoelige kopers -> minder aantrekkelijker
o Beschikbaarheid informatie -> vergroot macht kopers
o Relatieve belang -> kleine kopers minder belangrijk dan grote kopers
- Leveranciers
o Beperken leveranciersmacht -> snel kunnen wisselen van leverancier (houdt
de prijs stabiel)
- Invloed op kosten- en opbrengsten structuren
, Verticale concurrentie
- Potentiële toetreders
o Kapitaalintensief -> veel kapitaalgoederen nodig in verhouding tot totaal
aantal arbeidskrachten (kapitaalintensief = weinig toetreders)
o Schaalvoordelen -> goedkoper produceren door mechanisatie en
automatisering (toetreden is lastig)
o Distributiekanalen -> lastig nieuw product in assortiment winkel te krijgen)
- Concurrentie binnen bedrijfstak
o Aantal concurrenten (veel concurrenten = prijs/kwaliteit belangrijk)
o Productdifferentiatie (plastic tasjes is lastig; automarkt minder beïnvloedbaar)
o Marktcapaciteit -> vraag < aanbod = overcapaciteit -> niet aantrekkelijk
- Substituten
o Veel substituten/ alternatieven -> kopers zijn prijsgevoeliger
o Veel substituten -> weinig ruimte om hoge prijzen te vragen
- Strijden om dezelfde groep consumenten
§3 marktanalyse
3c-model
- Customers
o Productgebruik -> hoe gebruiken groepen klanten producten
o Consumententype -> richt zich op de voor onderneming meest aantrekkelijke
markt
- Corporation
o Imago/ reputatie -> bepalen marktpositie
o Kostenstructuur -> uitbesteden of zelf produceren
- Competition
o Onderscheiden concurrentie dmv -> imago, marktpositie, productontwerp,
uitgebreide garantie enz.
o Identieke producten -> imago is key
§4 portfolioanalyse
Portfolioanalyse = product-marktcombinaties (Boston
Consulting Group)
Questionmarks ->
- Laag marktaandeel, snelgroeiende markt
- Introductiefase (geen duidelijkheid of het aanslaat)
- Mogelijkheid omzet verhogen
Stars ->
- Hoog marktaandeel, snelgroeiende markt
- Groeifase
- Grote kosten dus vaak niet winstgevend
Cash cow->