Van zygote naar bastula
De hoeveelheid dooiermateriaal aan een
pool bepaalt de grootte van de
blastomeren. Hoe minder dooiermateriaal
de pool bevat, hoe sneller de cellen op
deze zijde kunnen groeien.
Zygoten die een grote opstapeling van
dooiermateriaal bevatten ondergaan
meroblastische deling.
Eicellen van insecten hebben het
dooiermateriaal centraal gelegen op de
eicel liggen, ze zijn centrolecithal en
delingen komen allen voor rond de
periferie door superficial deling.
Eicellen van vogels en vissen hebben
slechts een klein gedeelte waar geen
dooiermateriaal zit, de eieren zijn
telolecithal. Door de grote hoeveelheid
dooiermateriaal kan de eicel alleen
discoidal delen.
C. Elegans
De C. Elegans maakt gebruik van
holobastische deling. De eerste celdeling is assymetrisch, waarbij de P1-cel lichtelijk kleiner is dan de
AB-cel. De P1-cel deelt zich in de P2-cel en de EMS cel. De AB-cel deelt in een ABa en een ABp cel. De
EMS cel deelt zich hierna in de MS-cel en de E-cel. De P-cellen vertegenwoordigen de stamcellen.
De MS cel produceert later de medosermale spieren en de E-cellen produceren het intestinal
endoderm. Ook dit organisme ontwikkelt een blastocoel.
1