Student X
Student X
Sociaal pedagogische hulpverlening jaar twee
SVXXX
Studentnummer: XXXXXXXXX
XX
Docent: XXX
Datum: 01-02-2017
, Inhoud
3
4
4
Inleiding 4
1. Competentie 1.1: De SPH’er werkt methodisch 5
1.1 Vaardigheid 1: Maakt non-verbale signalen minstens één keer bespreekbaar
5
1.2 Vaardigheid 2: Vraagt circulair door
5
2. Competentie 1.3: De SPH’er versterkt de cliënt
2.1 Vaardigheid 1: Toont een open en nieuwsgierige houding 7
2.2 Vaardigheid 2: Herkent krachtbronnen en coping strategieën bij de cliënt
7
3. Competentie 1.4: De SPH’er hanteert de relatie
7
3.1 Vaardigheid 1: Neemt initiatief om in gesprek te komen met beide cliënten
3.2: Vaardigheid 2: Houdt rekening met de autonomie en eigenheid van de cliënten 9
4. Competentie 1.5: De SPH’er benut de context 9
4.1 Vaardigheid 1: Laat verschillende meningen en perspectieven van gezinsleden aan bod komen
4.2: Vaardigheid 2: Houdt zichtbaar rekening met de behoeften en belangen van de twee cliënten
9
5. Competentie 2.1: De SPH’er signaleert en initieert 11
5.1 Vaardigheid 1: Is in staat een appèl te doen op krachten van de cliënt en zijn omgeving 11
5.2 Vaardigheid 2: Stimuleert en ondersteund de cliënt bij het maken van verbinding met zijn
netwerk
Referenties
11
13
2
, Dit is het verslag ter afsluiting van het vak gespreksvaardigheden twee. Dit verslag is
geschreven door STUDENT X, tweedejaars student sociaal pedagogische hulpverlening aan
de Hogeschool van Asterdam. Dit verslag vormt samen met het opgenomen
Inleiding
hulpverleningsgesprek de toetsing van het vak gespreksvaardigheden twee.
In dit verslag worden de competenties en bijbehorende vaardigheden beschreven en wordt
er feedback gegeven op het gesprek op de opname. De opname die bij dit verslag hoort is
een gefilmd hulpverleningsgesprek waarin ik hulpverlener ben. De casus die wordt
uitgespeeld is casus Albert.
In hoofdstuk één wordt competentie 1.1 uitgewerkt. Hoofdstuk twee volgt daarop met de
uitwerking van competentie 1.3. Daarna wordt er in hoofdstuk drie een beschrijving gegeven
van competentie 1.4. Daaropvolgend wordt competentie 1.5 uitgewerkt in hoofdstuk vier en
tot slot wordt in hoofdstuk vijf competentie 2.1 weergegeven.
3
, In dit hoofdstuk wordt de eerste competentie uitgewerkt aan de hand van literatuur en
voorbeelden uit de opname.
1. Competentie 1.1: De SPH’er werkt methodisch
De vaardigheid “de SPH’er maakt non-verbale signalen bespreekbaar” komt terug in mijn
opname op 00:54.
1.1 Vaardigheid 1: Maakt non-verbale
Het bespreekbaar maken van signalen minstens één
non-verbale keer bespreekbaar
signalen heeft meerdere functies. Allereest kan
het bespreekbaar maken van non-verbale communicatie inzicht bieden in het gevoel van de
cliënt. Niet alleen voor de hulpverlener, maar ook voor de cliënt die er niet altijd bewust van
is welke houding hij aanneemt tijdens een gesprek. Non-verbale signalen bespreekbaar
maken kan ook een goed begin zijn om iemand zijn gevoel te bespreken. Een non-verbaal
signaal bespreekbaar maken wordt gedaan door de cliënt op een objectieve manier te
vertellen wat er gezien is aan zijn communicatie. Ook is het van belang om te vragen of dat
wat je gezien hebt klopt (Lang & van der Molen, 2012).
Wanneer Albert aangeeft dat het niet zo goed met hem gaat zeg ik tegen hem dat ik dat kan
zien aan zijn houding. Tegen Albert zeg ik dat hij in elkaar gedoken zit en naar onder kijkt,
hierdoor krijg ik de indruk dat hij bang is. Wanneer ik dit tegen hem zeg bevestigd Albert dit
ook. Albert heeft hierdoor het gevoel dat ik begrijp hoe hij zich voelt en gaat daarom
uitleggen hoe dit komt en wat er aan de hand is. Deze vaardigheid beheers ik op niveau
twee.
De manier waarop ik dit tegen Albert zeg zou beter kunnen in een volgend gesprek. In dit
gesprek zeg ik het nog twijfelend terwijl het duidelijk te zien is. Het is van belang om als
hulpverlener zeker en duidelijk over te komen (Lang & van der Molen, 2012).
1.2 Vaardigheid 2: Vraagt circulair door
De vaardigheid “de SPH’er vraagt circulair door” komt voor in de opname op 1:37.
Circulair doorvragen is een techniek die door de hulpverlener kan worden toegepast om zijn
cliënten bewust te maken van de gedachten van een ander en zo inzichten te verschaffen
voor zichzelf en voor de cliënten (Bolt, 2014).
In de opname vraag ik meerdere keren circulair door. De eerste keer dat ik deze techniek
toepas is wanneer Albert zegt dat hij bang en verdrietig is geworden van Peter zijn boosheid.
Toen ik Albert dit hoorde zeggen vroeg ik aan Peter wat het met hem deed om dit te hoeren
van zijn broer. Peter vertelde dat hij het vervelend vond om te horen. Deze techniek heb ik
toegepast om Peter een beter inzicht te geven in Albert zijn gevoelens en ervaringen. Deze
vaardigheid beheers ik op niveau één.
Iets dat ik de volgende keer beter zou kunnen doen is om na het circulair doorvragen weer
teug te komen bij de cliënt die als eerst aan het woord was. In dit geval dus bij Albert. Peter
verteld dat hij het niet leuk vindt om te horen dat Albert bang is, ik heb niet gevraagd wat
Albert hiervan vond. Hierdoor is de cirkel van vragen niet helemaal rond (Bolt, 2014).
4