Indicatoren:
vraaggericht werken, ethische gevoeligheid, verpleegtechnische zorg, communicatief handelen, theoretische
onderbouwing, verpleegkundig proces, stimuleren van gezondheidsbevorderend gedrag
Beheersingsniveau: integreren
Naam student: WPL:
1 0
Studentnummer: 2 0
3 0
Datum: 0
Setting + afdeling:
Selfassessment:
Mijn rol als zorgverlener op het niveau integreren kan ik aantonen door onderstaande
beroepskritische situatie(s)..1
Tijdens een dienst had ik de zorg voor mw. van T. Deze cliënt is opgenomen met een bipolaire
stoornis. Gedurende de dag werd mw. voor mijn gevoel steeds onrustiger, doordat ze continue
van de huiskamer naar haar eigen kamer aan het lopen was. In het crisissignaleringsplan (CSP)
van mw. las ik terug dat dit inderdaad een kenmerk kon zijn van een oplopende spanning. Het
CSP beschrijft de fases waarin een cliënt zich kan bevinden en hoe een verpleegkundige of mw.
zelf hier op kan handelen. Deze wordt continue aangepast bij nieuwe observaties (De Borg,
2005). Bij mensen met een bipolaire stoornis is onrust een bekend symptoom, wat kan worden
behandeld met antipsychoticum of benzodiazepine (Farmacotherapeutisch kompas, 2016). Ik
keek in het CSP om uit te zoeken in welke fase mw. kon zitten en hoe ik hier op kon handelen, dit
om het verder oplopen van de fase tegen te kunnen gaan. Ik heb hierdoor besloten mw. extra te
observeren om te kijken in welke fase ze zat (Theoretische onderbouwing). Op dat moment ging
de rest van de groep wandelen, maar omdat mw. niet te sturen was en heel onrustig was besloot ik
dat het verstandiger was om 1 op 1 te wandelen of mw. op de afdeling te laten. 1 op 1 was op dat
moment niet mogelijk, dus bood ik aan bij mw. op de afdeling te blijven om de zorg op me te
nemen. Dit deed ik omdat ik had geobserveerd dat mw. in fase 1 zat en onrustig bleef. Ik heb op
dat moment geprobeerd om te handelen vanuit het CSP, om de rust bij mw. terug te krijgen. Ik
vroeg mw. hoe ze zich voelde, echter kwamen hier vlakke antwoorden op als “goed”. Toen ik
specifieker vroeg naar angst of hallucinaties/wanen kreeg ik van mw. geen antwoord. Dit voelde
voor mij dubbel, omdat voor mijn gevoel mw. daadwerkelijk onrustig was en haar handelen bij
fase 1 ook was terug te lezen in het CSP (Ethische gevoeligheid). Hierna heb ik mw. andere
activiteit aangeboden om haar wat van haar onrust af te leiden. Ik besloot bewust niet om mw.
meteen zo-nodig medicatie te geven maar afleiding te bieden, omdat bij het veelvuldig toedienen
van medicatie iemand hier minder gevoelig of afhankelijk van kan worden. Ik probeerde aan de
hand van de 3 A’s eerst met mw. af te stellen wat zij wilde doen. Toen ik hier geen antwoord van
mw. kreeg, heb ik geprobeerd haar af te grenzen in de onrust/het wandelen over de gang door
haar drie verschillende activiteiten aan te bieden (alternatieven bieden) (Trifier, 2011). Één met
mij als verpleging, één met een andere mede-cliënt die er was, en één voor mw. zelf. Dit zodat
mw. zelf kon beslissen en de autonomie deels nog bij mw. bleef. Bij alle drie de activiteiten bleef
1
Beschrijf naast de concrete situatie ook je taak, handelingen, resultaat en reflectie