organismen en hun milieu bestudeert
Levensgemeenschap Alle populaties in een ecosysteem
Biotische factoren Invloeden afkomstig van de levende natuur
Abiotische factoren Invloeden afkomstig van de levenloze natuur
Biotoop De gezamenlijke abiotische factoren van een
ecosysteem
Ecosysteem Min of meer natuurlijk begrensd deel van de
biosfeer
Habitat Het leefgebied van een organisme
Soortensamenstelling De verschillende soorten die binnen een gebied
voorkomen
Verspreidingsgebied (areaal) Het gebied op aarde waar een soort voorkomt
Tolerantie Het vermogen van organismen om
schommelingen in een abiotische factor te
verdragen
Optimum De waarde van een abiotische factor die het
gunstigst is voor het organisme
Beperkende factor Abiotische factor die bepaald hoeveel
organismen van een soort in een gebied kunnen
overleven
Organisme (individu) Eén levend wezen
Populatie Groep organismen van dezelfde soort in een
bepaald gebied, die samen een
voortplantingsgemeenschap vormen
Humus Mengsel van organische en anorganische
stoffen en micro-organismen (reducenten)
Coöperatie Samenwerking
Symbiose Langdurige samenleving van organismen van
verschillende soorten
Mutualisme Beide organismen hebben voordeel
Commensalisme Het ene organisme heeft voordeel en het
andere geen voordeel en geen nadeel
Parasitisme Een organisme (parasiet) leeft op of in een
organisme van een andere soort (gastheer) en
onttrekt er voedsel aan
Biologisch evenwicht Toestand waarin de populatiegrootte van elke
soort in een ecosysteem schommelt om een
bepaalde waarde
Uitheems Soort die van nature niet in een gebied
voorkomt
Inheems Soort die van nature in een gebied voorkomt
Exoot Soort die als gevolg van menselijk handelen
terechtkomt in een gebied waar hij van
oorsprong niet thuis hoort
Draagkracht De maximale populatiegrootte in een
ecosysteem
Natuurlijke selectie De organismen die het best zijn aangepast aan
het milieu, hebben de grootste overlevingskans
Populatiegrootte Gemiddeld aantal organismen van een soort per
oppervlakte-eenheid of per volume-eenheid