Harry Jansen - Triptiek van de tijd, Hoofdstukken 1, 9-10, 4-7
1 Inleiding
Historici proberen ware kennis over het verleden te presenteren in beelden ervan en visies erop.
1.1 Wat is geschiedwetenschap?
Geschiedwetenschap is de wetenschap die zich bezighoudt het verhaal van het verleden te vertellen. Door
verschillende structuren van verschillende historici ontstaat er nieuwe chaos. Geschiedtheorie onderzoekt
de sociaal-culturele achtergrond van geschiedschrijving.
1.2 Wat is historische cultuur?
Historische cultuur zijn alle uitingen die zich op een of andere wijze oriënteren op het verleden. Daarbij is
er tegelijk feit en fictie, kennis en esthetiek, informatie en overtuiging. Qua grondslagen is
geschiedwetenschap onderdeel van historische cultuur, maar qua conventies staat ze los. Vaak zijn die niet
vastgesteld, maar gegroeid en op die manier gelegitimeerd.
1.3 Wat is geschiedtheorie?
Geschiedtheorie analyseert die conventies. Het doel is te inventariseren hoe het er in de
geschiedbeoefening aan toe gaat.
1.4 Driestromenland van wetenschapsopvattingen en esthetiek
Inhoudelijk: politiek-institutioneel, sociaaleconomisch, cultureel-mentaal. Werkwijze: hermeneutisch
(intentioneel), positivistisch (wetmatig), narrativistisch (geschiedenis als conglomeraat van verhalen).
Stromingen: politiekinterpreterende, maatschappijexplorerende en cultuurrepresenterende geschiedenis.
Bijbehorende esthetiek: spel als centrum, eenvoud/harmonie/symmetrie als kern en het sublieme als
hoofdcategorie. Scherpe scheidslijnen bestaan niet, maar om het begrijpelijk te houden worden die wel
getrokken door Jansen. De drie stromingen hebben ieder een eigen werkelijkheidsperceptie op basis
waarvan het onderzoeksobject wordt vastgesteld: eeuwenoude tradities, kennisvormen die ook buiten
geschiedwetenschap ontstaan en zintuiglijke ervaringen.
1.5 Tijd en discontinuïteit
Drie tijdsopvattingen: biologisch(-organisch)e tijdsopvatting, verbinding tijd aan ruimte en beweging en
historische sensatie (onderdompeling in het verleden, verleden aanwezig in het heden). Heden, verleden
en toekomst zijn in de laatste opvatting niet gescheiden, in de eerste twee wel.
9 Feit en fictie
9.1 Gebeurtenissen, feiten en feitelijke uitspraken
Feiten (epistemologie/kennis/geschiedenis) vallen niet samen met gebeurtenissen (ontologie/verleden),
want ze worden geconstrueerd op basis van bronnen. Feiten zijn terug te vinden in feitelijke uitspraken.
Geschiedenis is het opgetekende verleden, maar omdat feiten abstract zijn bevinden ze zich in een
niemandsland tussen verleden en geschiedenis. Feiten en gebeurtenissen kunnen we niet op waarheid
onderzoeken, maar feitelijke uitspraken (subjectief en interpretatief; idealiter: intersubjectief) wel.
Letterlijke uitspraken worden feitelijke uitspraken als de waarheid ervan is aangetoond.
9.2 Feiten en feitelijke uitspraken tonen
Correspondentietheorie van de waarheid: uitspraak is waar als die overeenkomt met de werkelijkheid. Niet
bruikbaar voor historici, want zij moeten aantonen in plaats van overeenkomst tonen. Verleden werkelijkheid
→ bronnen → uitspraken in bronnen → uitspraken over bronnen (subjectiviteit) → legitimatie (van bron
en procedure) → convergentie (intersubjectiviteit) → feitelijke uitspraken → geschiedenis.
, Samenvatting geschiedfilosofie: Harry Jansen - Triptiek van de tijd | H 1, 9-10, 4-7
9.3 Geconstrueerde feiten in soorten
3 soorten feiten: 1) handelingsfeiten - verwijzen naar een handeling die in het verleden zichtbaar was;
2) geaggregeerde feiten - verwijzen naar standen van zaken die niet zichtbaar zijn (aggregatie van
gegevens); 3) beeldfeiten - kunnen letterlijk en feitelijk zijn (diagrammen etc.), of esthetisch en dus
letterlijk en figuurlijk.
9.4 Het beeldfeit van In weelde siet toe
Beelden zijn pluri-interpretabel, maar bij In weelde siet toe is een duidelijke moraliserende waarschuwing
tegen losbandigheid te bespeuren. Al het getoonde is coherent met de titel. Het schilderij is feitelijk omdat
het verwijst naar een stand van zaken uit de 17e eeuw. Toont niet één gebeurtenis, maar een conglomeraat
van gebeurtenissen. Analyse en argumentatie maken schilderijen en grafieken tot (beeld)feiten.
9.5 Conclusie: feiten zijn paradoxaal
Feiten hebben vier paradoxen. 1) Relatie met taal zonder taal te zijn en relatie met werkelijkheid zonder
werkelijkheid te zijn; 2) Feiten zijn geconstrueerd, maar waarheid niet (want het zijn wegwijzers naar de
waarheid); 3) Feiten zijn tegelijkertijd reference en referee/verwijzend en arbitrerend; 4) Conglomeraat van
paradoxen: legitimatie → waarheid, maar legitimatie ≠ waarheid; waarheid heeft betrekking op uitspraken,
maar die tonen geen waarheid maar feiten (niet waar of onwaar, net als de gebeurtenissen waarnaar ze
verwijzen).
10 Historische kennis, waarheid, werkelijkheid en esthetiek
Geschiedvorsing verschaft de stevige infrastructuur van de geschiedschrijving → waar-achtigheid.
10.1 Waarheid, legitimatie en consensus
Waarheid is een essentieel ingrediënt voor kennis. Donald Davidson (tegen correspondentietheorie):
waarheid (fundamenteel begrip) kan niet gedefinieerd worden, maar is slechts het klankbord achter
communicatie. Waarheid ≠ legitimatie/ intersubjectiviteit/consensus/feiten/feitelijke uitspraken! De
werkelijkheid (verleden) is de waarheids-conditie (geschiedenis). Probleem: Davidson toont niet aan dat
waarheid op voorhand bestaat → 1) waarheid als klankbord is niet nuttig voor verificatie of falsificatie van
uitspraken en 2) historisch onderzoek gaat juist over waarheden die nog geen gemeengoed zijn.
Richard Rorty (tegen correspondentietheorie): waarheid is niet interessant. Legitimatie en consensus
maken een uitspraak 'waar' (pragmatisme). Antirepresentalisme: taal kan de werkelijkheid niet weergeven
zoals die is. Kennis en waarheid zijn bij hem een kwestie van consensus. Procedures en argumenten
kunnen uitspraken rechtvaardigen. Rorty is nuttig tijdens de geschiedvorsing.
Jansen: Waarheid = relatief (altijd in relatie tot tijd en plaats van de uitspraak)? Nee, de waarheid zelf niet,
maar waarheidsuitspraken wel. Waarheden vinden is alleen mogelijk omdat de waarheid bestaat. De
werkelijkheid als louter waarheidsconditie (Davidson) doet de werkelijkheid tekort.
10.2 Waarheid als ont-dekte werkelijkheid
Derrida (antirealist): 'er is niets buiten de tekst', dus: werkelijkheid buiten de tekst is niet van belang voor
de tekst. Niet juist, want los van tekst en communicatie had het verleden een eigen autonoom bestaan
(realist). Davidson en Van den Akker (anti-antirealisten): werkelijkheid bestaat voor zover erover
gecommuniceerd wordt. Jansen: autonome werkelijkheid, 5 argumenten. 1) Dingen uit het verleden maken
nog steeds gevoelens los; 2) Die gevoelens zijn vaak ongecommuniceerd; 3) Er bestaan
oncommuniceerbare ervaringen; 4) De inhoud van ervaringen/herinneringen hoeft niet gecommuniceerd
te worden om te weten dat ze bestaan; 5) Het verleden heeft ook resten nagelaten. Waarheid is dus meer
dan taal (Jansen, Heidegger en Gadamer).
Overtuigingen willen in de vorm van kennis worden uitgedragen, maar de drager moet ze dan eerst als
waarheid beschouwen. Uitdragen van kennis is als het maken van een kunstwerk: we tonen ervaringen en
dragen zo kennis en waarheden over. Dan volgen intersubjectivering en esthetische objectivering en groeit
kennis/waarheid (Gadamer: dynamisch). Duurzaamheidsaspect van waarheid: er is tijd nodig voordat
meerdere mensen kennis als waar ervaren. Implicaties duurzaamheid: kennis, argumentatie en esthetiek.
10.3 Historische kennis en duurzame waarheid
Barry Allen is kritisch tov zijn leermeester Rorty. Waarheid is geen kwestie van consensus en legitimatie.
De waarheid kun je niet vinden (Davidson, Heidegger, Gadamer, Allen), maar wel ervaren/'tegenkomen'
2
, Samenvatting geschiedfilosofie: Harry Jansen - Triptiek van de tijd | H 1, 9-10, 4-7
(Heidegger, Gadamer, Allen). Davidsons fundamentele (maar gemankeerde) communicatieve
waarheidsopvatting moet aangevuld worden met een esthetische (ervaring, overtuiging en verbeelding).
(Artefactiële) duurzaamheid als waarheidscriterium. Waarheid moet esthetisch effectief zijn, herkenbaar
aan: 1) vigerende problemen oplossend; 2) innoverende efficiëntie (aantrekkelijker alternatief bieden); 3)
vruchtbaarheid (innovaties op aanpalende onderzoeksterreinen); en 4) symbiose (meer samenhang in een
geconstrueerde omgeving). Via feitelijke uitspraken en daarmee coherente argumentaties probeert de
historicus een infrastructuur te creëren van delen van het verleden.
10.4 Conclusie
Voor de geschiedvorsing is Rorty's waarheidsopvatting van consensus en legitimatie erg handig
(pragmatisch), voor de geschiedschrijving de esthetische van Allen (beeldvorming, duurzaamheid). Je kunt
beelden aan historiografische discussie onderwerpen door in te gaan op de artefactiële infrastructuur →
beter beeld van de werkelijkheid. Niet het hele beeld hoeft dus meteen verworpen te worden.
4 Lezen in het licht van polis, maatschappij en cultuur
Naast/tegenover een thematische indeling (politiek-institutioneel, sociaaleconomisch, cultureel-mentaal)
van de geschiedenis bestaat er een perspectievelijke (politiekinterpreterend polisdenken - 1800-1900,
maatschappijexplorerend/maatschappijdenken - 1900-1980 en cultuurrepresenterend/cultuurdenken - v.a.
1980). 5 leeswijzen (LaCapra): informatief, synoptisch, deconstructive, redemptive en dialogic lezen/reading.
4.1 Informatief en synoptisch lezen
Primaire (overblijfselen + overleveringen) bronnen vergen een andere leeswijze dan secundaire (literatuur
van andere historici). Informatief lezen: informatie uit de bron halen (kritiek: gaat uit van transparantie,
kritiek op kritiek: nietes, plus het is gewoon nodig), geeft inhoud aan onderzoek. Synoptisch lezen
(schematiserend lezen): doel van auteur achterhalen (hoofd-/bijzaken scheiden; kritiek: ideeën auteur lang
niet altijd transparant) en een eigen overarching thesis opstellen.
4.2 Drie perspectieven en drie leeswijzen
Steeds opnieuw steekt het ideaal van een integrale geschiedschrijving de kop op. 19e eeuw:
professionalisering geschiedwetenschap met uitkristallisatie natiestaatideaal - politieke oriëntatie voor
integraal denken van de historicus → politiek lezen.
4.3 Politiekinterpreterend lezen
19e eeuw - polisdenken: de samenleving wordt gezien als een conglomeraat van sociale en institutionele
entiteiten, bijeengehouden door de staat (politiek). Organische maatschappijconceptie: entiteiten zijn
gegroeid ipv ontworpen (extreme vorm: corporatisme). Polis vereist participatie; individualiteit en
multiculturaliteit. Doel politieke geschiedenis: in beeld brengen participatieontwikkelingen. Implicatie:
handelingsdenken = handelende 'individuen'(/entiteiten) met verantwoordelijkheden → veranderingen in
de samenleving. Taak historicus: bedoelingen achter handelingen zoeken (interpretatie/hermeneutiek).
Dialogic reading: een tekst kan meerdere betekenissen hebben, en de lezer begrijpt hem op basis van eigen
vooronderstellingen. Derrida: een tekst is nooit transparant naar de beschreven werkelijkheid, noch naar
de auteur ervan → evenveel betekenissen als lezers. Deconstructive reading: op zoek naar stiltes/haperingen in
de tekst om iets over de auteur te leren. Nieuwe impulsen voor politieke geschiedenis door
postmodernisme: retoriek belangrijker, meer oog voor literair-esthetische aspecten, vagere polisgrenzen.
De essentie -entiteiten met sociaal-politieke of cultureel-politieke participatie- blijft ongewijzigd.
4.4 Maatschappijexplorerend lezen
Structurele maatschappijopvatting; economische structuren -> klassen/strata -> (aard) gemeenschappen,
instituties en ideeën. Structuren en functies (ipv gemeenschappen en instituties) funderen de samenleving.
Grote rol voor de opsporing en oplossing van (sociale) problemen. Bronnen: analyse en synthese van het
verleden, o.a. op basis van moderne sociaalwetenschappelijke theorieën. Kwantitatieve exploratie van
bronnen: op zoek naar structuren en kwantificeerbare gegevens. Deze kwantificeringen worden gebruikt
om in grafieken te zetten en zo causaliteiten na te speuren en te tonen.
3