Economie samenvatting samengevat Mavo
1.1 keuzeproblemen
o Behoeften: alles wat een mens nodig heeft of waarnaar een mens verlangt.
o 2 soorten behoeften:
1. Primaire behoeften: (basisbehoeften) als wat je nodig hebt om te kunnen overleven, zoals voedsel,
kleding en onderdak.
2. Secundaire behoeften: (luxe behoeften) dat zijn de overige behoeften. Deze behoeften heb je niet
nodig om te kunnen overleven, zoals een opleiding, uitgaan, sport of een mp3-speler.
o Secundaire behoeften verschillen in tijd. Een mobiele telefoon is nu een noodzakelijke behoeften, maar 10
jaar geleden was het een secundaire behoeften.
o 7 factoren waardoor verschillen in behoeften ontstaan:
1. Inkomen
2. Leeftijd
3. Gezinssamenstelling
4. Klimaat
5. Sociale omgeving
6. Woonplaats
7. Toekomstverwachting
o 2 soorten goederen:
1. Stoffelijke goederen: kan je aanraken, zoals een flesje frisdrank of een cd.
2. Onstoffelijke goederen: kun je niet aanraken. Ze hebben vaak met dienstverlening te maken, zoals
hulp van de dokter of kapper, of het luisteren naar een popconcert.
o Consumeren: het kopen van goederen en diensten om te voorzien in je behoeften.
o 2 soorten goederen:
1. Verbruiksgoederen: (niet-duurzame consumptiegoederen) deze goederen zijn na een keer verbruikt,
zoals snacks.
2. Gebruiksgoederen: (duurzame consumptiegoederen) deze kun je meer dan een keer gebruiken,
zoals een scooter of een dvd-speler
o Schaarste: de spanning tussen de eindeloos lijkende behoeften van de mensen en de middelen om deze
behoeften te vervullen.
o Niet alles kan geproduceerd worden waar behoeften aan is. Schaarste dwingt tot het maken van keuzes.
o Niet alle behoeften kunnen vervuld worden er zijn grenzen aan inkomen en tijd. Schaarste dwingt af tot het
stellen van prioriteiten.
o De welvaart neemt toe zodra de schaarste afneemt. Je kunt dan meer behoeften vervullen.
o 4 manieren om je behoeften te vervullen:
1. Door zelfvoorziening
2. Door te kopen bij bedrijven
3. Door te kopen bij de overheid
4. Door gebruik van natuurlijke hulpbronnen
1.2 Ruilen en geld
o 2 soorten ruil:
1. Directe ruil: (ruil in natura) je ruilt goederen en diensten tegen goederen en diensten
2. Indirecte ruil: je ruilt goederen en diensten tegen geld
o 2 vormen arbeidsverdeling:
1. Technische arbeidsverdeling: specialisatie in een bedrijf. Bijvoorbeeld uitvoerend en
leidinggevend.
2. Maatschappelijke arbeidsverdeling: specialisatie tussen bedrijven. Bijvoorbeeld bloementeelt of
elektronische apparaten en beroepen, zoals accountmanager of dokter.
o 2 gevolgen van arbeidsverdeling:
1. Hogere arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer per uur stijgt.
2. Toename van indirecte ruil: geld kun je gemakkelijk en snel ruilen tegen goederen en diensten.
Gemakkelijke ruil bevorderd weer de maatschappelijke arbeidsverdeling.
o 3 functies van geld:
1. Ruilmiddel: je gebruikt geld om goederen en diensten te kopen
2. Rekenmiddel: je gebruikt geld om waarde te vergelijken en ermee te rekenen
3. Spaarmiddel: je bewaart geld voor later
1.1 keuzeproblemen
o Behoeften: alles wat een mens nodig heeft of waarnaar een mens verlangt.
o 2 soorten behoeften:
1. Primaire behoeften: (basisbehoeften) als wat je nodig hebt om te kunnen overleven, zoals voedsel,
kleding en onderdak.
2. Secundaire behoeften: (luxe behoeften) dat zijn de overige behoeften. Deze behoeften heb je niet
nodig om te kunnen overleven, zoals een opleiding, uitgaan, sport of een mp3-speler.
o Secundaire behoeften verschillen in tijd. Een mobiele telefoon is nu een noodzakelijke behoeften, maar 10
jaar geleden was het een secundaire behoeften.
o 7 factoren waardoor verschillen in behoeften ontstaan:
1. Inkomen
2. Leeftijd
3. Gezinssamenstelling
4. Klimaat
5. Sociale omgeving
6. Woonplaats
7. Toekomstverwachting
o 2 soorten goederen:
1. Stoffelijke goederen: kan je aanraken, zoals een flesje frisdrank of een cd.
2. Onstoffelijke goederen: kun je niet aanraken. Ze hebben vaak met dienstverlening te maken, zoals
hulp van de dokter of kapper, of het luisteren naar een popconcert.
o Consumeren: het kopen van goederen en diensten om te voorzien in je behoeften.
o 2 soorten goederen:
1. Verbruiksgoederen: (niet-duurzame consumptiegoederen) deze goederen zijn na een keer verbruikt,
zoals snacks.
2. Gebruiksgoederen: (duurzame consumptiegoederen) deze kun je meer dan een keer gebruiken,
zoals een scooter of een dvd-speler
o Schaarste: de spanning tussen de eindeloos lijkende behoeften van de mensen en de middelen om deze
behoeften te vervullen.
o Niet alles kan geproduceerd worden waar behoeften aan is. Schaarste dwingt tot het maken van keuzes.
o Niet alle behoeften kunnen vervuld worden er zijn grenzen aan inkomen en tijd. Schaarste dwingt af tot het
stellen van prioriteiten.
o De welvaart neemt toe zodra de schaarste afneemt. Je kunt dan meer behoeften vervullen.
o 4 manieren om je behoeften te vervullen:
1. Door zelfvoorziening
2. Door te kopen bij bedrijven
3. Door te kopen bij de overheid
4. Door gebruik van natuurlijke hulpbronnen
1.2 Ruilen en geld
o 2 soorten ruil:
1. Directe ruil: (ruil in natura) je ruilt goederen en diensten tegen goederen en diensten
2. Indirecte ruil: je ruilt goederen en diensten tegen geld
o 2 vormen arbeidsverdeling:
1. Technische arbeidsverdeling: specialisatie in een bedrijf. Bijvoorbeeld uitvoerend en
leidinggevend.
2. Maatschappelijke arbeidsverdeling: specialisatie tussen bedrijven. Bijvoorbeeld bloementeelt of
elektronische apparaten en beroepen, zoals accountmanager of dokter.
o 2 gevolgen van arbeidsverdeling:
1. Hogere arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer per uur stijgt.
2. Toename van indirecte ruil: geld kun je gemakkelijk en snel ruilen tegen goederen en diensten.
Gemakkelijke ruil bevorderd weer de maatschappelijke arbeidsverdeling.
o 3 functies van geld:
1. Ruilmiddel: je gebruikt geld om goederen en diensten te kopen
2. Rekenmiddel: je gebruikt geld om waarde te vergelijken en ermee te rekenen
3. Spaarmiddel: je bewaart geld voor later