Hoofdstuk 10 Structuur van de economie
De partijen aan de aanbodkant van een economie produceren de goederen en diensten die
voorzien in de behoeften van de afnemers. De aanbodzijde is ingedeeld in diverse sectoren
die overeenkomen met de belangrijkste behoeftegroepen. Economieën specialiseren zich in
de productie waarin ze sterk zijn. Deze specialisatie is op haar beurt weer afhankelijk van
het stadium van ontwikkeling waarin een economie zich bevindt. De meeste West-Europese
landen bevinden zich in een stadium van ontwikkeling waarin kennis en innovatie belangrijke
concurrentiebepalende factoren zijn. Daaruit vloeien de knelpunten in de langetermijngroei
van de EU voort.
§1 De sectoren van de Europese economie
Ondernemingen en overheid produceren om in de behoeften te voorzien. Zij zijn te
groeperen in bedrijfstakken. Gelijksoortige bedrijfstakken zijn weer samen te voegen tot
sectoren. Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, deelt de productie in de
sectoren in zoals ze hieronder zijn weergegeven.
De verhoudingen tussen de verschillende sectoren zijn illustratief voor ontwikkelde
economieën. Het aandeel van de agrarische en industriële sector is in de 20ste eeuw
drastisch afgenomen ten gunste van de dienstverlening. Je spreekt dan van postindustriële
samenlevingen met een grote dienstverlening, bestaande uit de sectoren handel, transport
en communicatie, financiële en zakelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Samen
omvatten zij ongeveer 70% van het bbp.
De groei van de dienstverlening heeft een aantal oorzaken.
In de eerste plaats stuit de behoefte aan goederen op fysieke grenzen. De welvaart is zo
hoog dat consumenten genoeg goederen hebben en alleen nog vervangingsvraag
uitoefenen. Op goederenmarkten tref je dan ook vaak verzadigde markten met een lage
inkomenselasticiteit. Als de eerste levensbehoeften zijn bevredigd, richten consumenten zich
steeds meer op de bevrediging van de behoeften die de dienstverlenende sectoren
produceren.
, In de tweede plaats handelen landen veel meer met elkaar. Er is sprake van een
verschuiving van de productie naar lagelonenlanden. Dat komt door loonkostenverschillen,
maar ook door de scherpe daling van de kosten van vervoer. Veel industriële
ondernemingen hebben de productie afgestoten of verplaatst. Ze zijn kop-staartbedrijven
geworden. Ze ontwikkelen producten en doen de marketing ervan, maar de productie
besteden ze uit of verplaatsen ze naar gebieden waar de kosten lager zijn. De
concurrentiële voordelen voor de ontwikkelde economieën liggen dan ook niet meer in de
beschikbaarheid van fysieke productiefactoren zoals grondstoffen, kapitaalgoederen en
arbeid. Ze moeten kennisgedreven aspecten van de productie ontwikkelen. Dat zijn
bijvoorbeeld een efficiënte organisatie, hoge technologische knowhow, innovatie,
merknaamontwikkeling en klantgerichte dienstverlening.
Als het % werkgelegenheid hoger is dan het % productie is zo’n sector minder productief
dan gemiddeld, en omgekeerd.
In de figuur hierboven zijn de industrie en de diensten (dus de economie exclusief de
overheid, landbouw en financiële sector) onderverdeeld in 12 verschillende sectoren. Daarbij
is de werkgelegenheid per sector verdeeld naar ondernemingsgrootte. Eurostat verdeelt de
ondernemingen naar het aantal werknemers in micro-, kleine, middelgrote en grote
ondernemingen. Eurostat hanteert de volgende indeling:
- Micro-ondernemingen: 1 t/m 9 werknemers
- Kleine ondernemingen: 10 t/m 49 werknemers
- Middelgrote ondernemingen 50 t/m 249 werknemers
- Grote ondernemingen: vanaf 250 werknemers
Voor een beter overzicht is deze indeling in de figuur compacter gemaakt. Er worden 3
groepen onderscheiden: het microbedrijf (0-9 werknemers), middenbedrijf (10-249
werknemers) en grootbedrijf (meer dan 250 werknemers).
De kolommen geven de verdeling van de werkgelegenheid in de totale marktsector weer.
De sectoren waarvan de rechterkolom hoog is, zijn grootschalig. Een groot deel van de
medewerkers werkt in grote ondernemingen. Er zijn ook typisch kleinschalige sectoren met
zeer veel kleine bedrijven.