Werkcollege 1
1a. De maag
1b. Nauwelijks, maar zo wel: de darmen.
2a. Humane facilitated, runder spontane
2b.
Concentratie glycerol 1/glycerol transportsnelheid 1/V
0,25 4 111 0,009
0,33 3 135 0,007
0,50 2 172 0,006
1,00 1 243 0,004
2,00 0,5 303 0,003
2c. Koper werkt non-competitief, ethyleenglycerol competitief. De laatste verlaagt dus ook de
affiniteit van het transporteiwit voor glycerol.
2d. Passief. Zonder ATP zou actief transport niet meer mogelijk zijn en zouden de waarden
veranderen.
3a.
Volume [glucose] Totaal Volume [glucose] Totaal
binnen binnen binnen buiten buiten buiten
Voor 2 15,0 30 10 15 150
incubatie
Na 2 18,0 36 10 14 140
incubatie –
DNP
Na 2 14,5 29 10 14,5 145
incubatie +
DNP
3b. 6, kan meer zijn, maar is dan misschien alweer naar buiten getransporteerd of gebruikt.
3c. 4
3d. Maakt actief transport onmogelijk, glucose wel kwijtgeraakt door afbraak zonder ATP vorming.
3e. Nee, ½ Vmax is Km, maar 2Km is niet Vmax, daarvoor heb je veel meer substraat nodig, vanwege
het logaritmische verloop van de grafiek.
3f. Toename, want glucose neemt water met de concentratiegradiënt mee.
4a. Heel veel dierlijke cellen hebben transporters om toxische stoffen de cel uit te transporteren.
4b. Nee, veel O en OH, polair, hydrofiel. Gaat niet door het membraan heen.
4c. Openklappen naar buiten.
4d. ATP binding en hydrolyse.
4e. Beschermingsmechanisme voor transporter zelf en de cel, door hydrofiele groepen kan de
transporter niet omslaan en toxische stoffen de cel in transporteren.
4f. Hydrolyse ATP, actief transport.
4g. Uit de cel transporteren.
4h. Tweede gedeelte (membrane spanning) wordt niet afgelezen dus ivermectine kan de cel niet uit.
, Werkcollege 2
1a. Omdat zij anaeroob verbranden, niet pyruvaat want door omzetting van glucose komt snel ATP
vrij.
1b. Ergens in de glycolyse gaat iets mis.
1c. Omdat lactaat dehydrogenase lactaat omzet tot pyruvaat in de Cori-cyclus.
1d. Afwezigheid van fosfofructokinase.
1e. Opstapeling van F6P en G6P. Problemen met osmotische waarde van de cel. En niet genoeg
fosfaten voor ATP synthese (want die zitten aan de koolhydraten vast).
1f. Omdat dat gebaseerd is op de langzame vetzuurafbraak.
1g. Deze stofeen komen uit geknapte cellen, door te hoge osmotische waarde door glucose/fructose
opstapeling.
1h. Nee, rustig aan doen. De Krebscyclus op gang brengen door verhoogde zuurstofcirculatie. Laag
suikergehalte voeding, vervangen door vetten.
1i. Ja, er is een opstapeling van glucose/fructose, dus de osmotische waarde van de cel is te hoog en
deze knapt.
2a. Fructose 1,6-bisfosfatase.
2b. 3e jaars stof.
2c. Gevast: geen glycogeen dus geen glucoseproductie. Gevoed: glycogeen aanwezig.
2d. i: lactaat, aminozuren, glycerol, ii: glycogeen.
2e. Lactaat door anaerobe dissimilatie van erythrocyten.
2f. Hersenen specifiek afhankelijk van glucose, evenals erythrocyten. Schade voorkomen.
2g. Infuus met glucose direct, vaker kleine beetjes eten.
2h. Warmte vrij laten komen door omzetting ATP, omdat dat nergens voor gebruikt wordt.
1a. De maag
1b. Nauwelijks, maar zo wel: de darmen.
2a. Humane facilitated, runder spontane
2b.
Concentratie glycerol 1/glycerol transportsnelheid 1/V
0,25 4 111 0,009
0,33 3 135 0,007
0,50 2 172 0,006
1,00 1 243 0,004
2,00 0,5 303 0,003
2c. Koper werkt non-competitief, ethyleenglycerol competitief. De laatste verlaagt dus ook de
affiniteit van het transporteiwit voor glycerol.
2d. Passief. Zonder ATP zou actief transport niet meer mogelijk zijn en zouden de waarden
veranderen.
3a.
Volume [glucose] Totaal Volume [glucose] Totaal
binnen binnen binnen buiten buiten buiten
Voor 2 15,0 30 10 15 150
incubatie
Na 2 18,0 36 10 14 140
incubatie –
DNP
Na 2 14,5 29 10 14,5 145
incubatie +
DNP
3b. 6, kan meer zijn, maar is dan misschien alweer naar buiten getransporteerd of gebruikt.
3c. 4
3d. Maakt actief transport onmogelijk, glucose wel kwijtgeraakt door afbraak zonder ATP vorming.
3e. Nee, ½ Vmax is Km, maar 2Km is niet Vmax, daarvoor heb je veel meer substraat nodig, vanwege
het logaritmische verloop van de grafiek.
3f. Toename, want glucose neemt water met de concentratiegradiënt mee.
4a. Heel veel dierlijke cellen hebben transporters om toxische stoffen de cel uit te transporteren.
4b. Nee, veel O en OH, polair, hydrofiel. Gaat niet door het membraan heen.
4c. Openklappen naar buiten.
4d. ATP binding en hydrolyse.
4e. Beschermingsmechanisme voor transporter zelf en de cel, door hydrofiele groepen kan de
transporter niet omslaan en toxische stoffen de cel in transporteren.
4f. Hydrolyse ATP, actief transport.
4g. Uit de cel transporteren.
4h. Tweede gedeelte (membrane spanning) wordt niet afgelezen dus ivermectine kan de cel niet uit.
, Werkcollege 2
1a. Omdat zij anaeroob verbranden, niet pyruvaat want door omzetting van glucose komt snel ATP
vrij.
1b. Ergens in de glycolyse gaat iets mis.
1c. Omdat lactaat dehydrogenase lactaat omzet tot pyruvaat in de Cori-cyclus.
1d. Afwezigheid van fosfofructokinase.
1e. Opstapeling van F6P en G6P. Problemen met osmotische waarde van de cel. En niet genoeg
fosfaten voor ATP synthese (want die zitten aan de koolhydraten vast).
1f. Omdat dat gebaseerd is op de langzame vetzuurafbraak.
1g. Deze stofeen komen uit geknapte cellen, door te hoge osmotische waarde door glucose/fructose
opstapeling.
1h. Nee, rustig aan doen. De Krebscyclus op gang brengen door verhoogde zuurstofcirculatie. Laag
suikergehalte voeding, vervangen door vetten.
1i. Ja, er is een opstapeling van glucose/fructose, dus de osmotische waarde van de cel is te hoog en
deze knapt.
2a. Fructose 1,6-bisfosfatase.
2b. 3e jaars stof.
2c. Gevast: geen glycogeen dus geen glucoseproductie. Gevoed: glycogeen aanwezig.
2d. i: lactaat, aminozuren, glycerol, ii: glycogeen.
2e. Lactaat door anaerobe dissimilatie van erythrocyten.
2f. Hersenen specifiek afhankelijk van glucose, evenals erythrocyten. Schade voorkomen.
2g. Infuus met glucose direct, vaker kleine beetjes eten.
2h. Warmte vrij laten komen door omzetting ATP, omdat dat nergens voor gebruikt wordt.