multicultureel perspectief
Probleem 1: Wie zijn onze landgenoten?
Literatuur:
- Eldering (2011) H2 en H3
- Gijsberts en Lubbers (2013)
- Nicolaas (2011)
- Leerkens (2012)
- Gijsberts, Huijnk en Vogels (2011)
- Dourleijn en Dagevos (2011)
Leerdoel 1: Wanneer is iemand autochtoon of allochtoon?
Westerse allochtonen = vergelijkbare sociaaleconomische structuur. VB Noord-Amerika, Japan,
Indonesië, Europa
Niet-westerse allochtonen = VB Afrika, Latijns-Amerika, Turkije
Eldering (2011)
Drie criteria nodig om te bepalen:
- Nationaliteit: dubbele nationaliteit Marokkaanse en Turkse migranten, kolonie = NL nationaliteit
- Geboorteland (van een van de ouders)
- Zelfidentificatie: doet recht aan de identiteit van de persoon, maar de invulling ervan is nogal
afhankelijk van willekeur en tijdgeest.
Naarmate een allochtone groepering langer in een land verblijft, wordt het steeds moeilijker deze te
identificeren.
Gebruikte ruime definitie: Iemand die zelf, of van wie tenminste een van de ouders, buiten Nederland
geboren is.
Leerkens (2012)
Volgens CBS: ‘Een persoon die in Nederland woonachtig is en van wie ten minste één ouder in het
buitenland is geboren. Wie aan deze definitie voldoet en zelf in het buitenland is geboren, behoort tot de
eerste generatie. Wie eraan voldoet en in Nederland is geboren, behoort tot de tweede generatie.
Autochtonen zijn derhalve personen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht hun
eigen geboorteland.’
De nieuwe definitie van allochtoon wordt dan: een in Nederland woonachtige persoon die buiten
Nederland is geboren en ten minste één ouder heeft die in het buitenland is geboren (er zou overigens
overwogen kunnen worden om als voorwaarde te stellen dat beide ouders in het buitenland geboren
moeten zijn).
, Autochtoon wordt dan: een persoon die in Nederland is geboren en/of die twee ouders heeft die in
Nederland zijn geboren (of eventueel: die ten minste één ouder heeft die in Nederland is geboren).
Voordelen voor het gebruik van ‘allochtoon’:
- De WRR vond het een neutrale, objectieve term die achterstanden zichtbaar zou kunnen maken
en de overheid zou helpen om de integratie te bevorderen van mensen (uit families) met een
migratieachtergrond – ook als die inmiddels de Nederlandse nationaliteit hadden verworven.
- De term is zeer nuttig gebleken bij het beschrijven van de maatschappelijke positie van de
herkomst groepen die Nederland telt. er is een lokaal beleid ontwikkeld.
- Grote interne verschillen in families met een bepaald herkomstland, maar meten van gedeelde
herkomst maakt verschillen zichtbaar. tegen gaan van vooroordelen en maatschappelijke
mythen.
- Bij recentere migranten doen zich nieuwe maatschappelijke achterstanden voor waarop anders
maar beperkt zicht is (Somalische vluchtelingen, midden en oost Europa).
- Gegevens over herkomst dragen bij aan het vergroten van sociaalwetenschappelijke kennis.
Bezwaren voor het gebruik van ‘allochtoon’:
- Het is onvoldoende neutraal. De term heeft mogelijk ongewenste nadelige gevolgen voor met
name de sociaal-culturele integratie van mensen uit families met een migratieachtergrond.
performatief taalgebruik: begrip benoemt niet alleen iets, maar brengt ook iets teweeg.
Voordelen gebruik van nieuwe definitie:
- Sluit aan etnische zelfcategorisering.
- Blijft mogelijk om mensen van een bepaalde origine aan te duiden.
- Er ontstaat geen verwarring tussen herkomst en nationaliteit.
- Mensen worden niet uitgesloten.
Leerdoel 2: Wat is de migratiegeschiedenis van mensen die nu in Nederland
wonen?
Zie schema in de Bijlage.
Er zijn 3 groepen migranten (sinds de jaren ’50)
Uit voormalige koloniën
Uit westerse landen
Uit landen rond de Middellandse zee
In 1983 was er een nieuw beleid voor etnische minderheden = voor immigranten met een lage positie
Etnische minderheden:
Uit voormalige koloniën
Buitenlandse werknemers en gezinnen rond de Middellandse zee
Vluchtelingen en asielzoekers
Zigeuners en woonwagengroepen
Pushfactoren: stimuleren tot emigratie
Pullfactoren: stimuleren tot immigratie
Zowel op collectief als individueel niveau