Hoe vind je het lijdend voorwerp?
1. Stel de vraag: wie, wat + gezegde + onderwerp?
Ze onderzoekt het rookgedrag van jongeren.
Wat onderzoekt ze?
antwoord = het rookgedrag van jongeren (lijdend voorwerp)
1. Zet de bedrijvende (actieve) vorm om in de lijdende (passieve) vorm. Het lijdend voorwerp
wordt dan onderwerp.
De stagiaire verzorgt de oude vrouw.
De oude vrouw wordt door de stagiaire verzorgd.