Voorzetsels ³ ⁴
Een voorzetsel geeft vaak een plaats, tijd, middel, bezit of richting aan en komt alleen voor in
combinatie met een of meer woorden. Voorzetsels staan aan het begin van de woordgroep.
Met een hamer sloeg Adam op de spijker (middel, plaats).
Om 12 uur komt Liv naar het eetcafé om te lunchen (tijd, richting).
De eigenaar van de villa verkocht het pand noodgedwongen (bezit).
De doos is een hulpmiddel om erachter te komen of het een voorzetsel is.
op
achter over
door in bij
naast tegen om uit
voor
onder
Er zijn een aantal voorzetsels waarvan je niet verwacht dat het voorzetsels zijn. Zo zijn met, van, tot,
gedurende, sinds, buiten, per, te, tussen, via, volgens, zonder en inzake ook voorzetsels. Deze
voorzetsels passen niet zo goed bij de doostruc. De doostruc is met name geschikt voor de
voorzetsels van richting en plaats: in, op, onder, boven, naast ... de doos.
Het voorzetsel te komt op twee manieren voor:
• In combinatie met het hele werkwoord (de infinitief): Yara hoopt te slagen voor haar
tentamen (te heeft hier geen betekenis).
• Als plaatsaanduiding: Nova woont te Amersfoort.
Een voorzetsel geeft vaak een plaats, tijd, middel, bezit of richting aan en komt alleen voor in
combinatie met een of meer woorden. Voorzetsels staan aan het begin van de woordgroep.
Met een hamer sloeg Adam op de spijker (middel, plaats).
Om 12 uur komt Liv naar het eetcafé om te lunchen (tijd, richting).
De eigenaar van de villa verkocht het pand noodgedwongen (bezit).
De doos is een hulpmiddel om erachter te komen of het een voorzetsel is.
op
achter over
door in bij
naast tegen om uit
voor
onder
Er zijn een aantal voorzetsels waarvan je niet verwacht dat het voorzetsels zijn. Zo zijn met, van, tot,
gedurende, sinds, buiten, per, te, tussen, via, volgens, zonder en inzake ook voorzetsels. Deze
voorzetsels passen niet zo goed bij de doostruc. De doostruc is met name geschikt voor de
voorzetsels van richting en plaats: in, op, onder, boven, naast ... de doos.
Het voorzetsel te komt op twee manieren voor:
• In combinatie met het hele werkwoord (de infinitief): Yara hoopt te slagen voor haar
tentamen (te heeft hier geen betekenis).
• Als plaatsaanduiding: Nova woont te Amersfoort.