Samenvatting van de zesde druk
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 – Het recht ........................................................................................................................... 2
Hoofdstuk 2 – Rechtsbronnen ................................................................................................................. 2
Hoofdstuk 3 – Volksvertegenwoordiging en regering ............................................................................ 3
Hoofdstuk 4 – Democratie en rechtsstaat ............................................................................................... 5
Hoofdstuk 5 - Wetgeving.......................................................................................................................... 7
Hoofdstuk 6 - Rechtspraak ..................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 7 - Bestuur ............................................................................................................................ 13
Hoofdstuk 8– Materieel strafrecht ........................................................................................................ 17
Hoofstuk 9 – Strafprocesrecht ............................................................................................................... 20
Hoofdstuk 10 – Rechtsbescherming tegen de overheid ........................................................................ 23
Hoofdstuk 11 – Verbintenissenrecht algemeen .................................................................................... 25
Hoofdstuk 12 – Verbintenissen uit overeenkomst ................................................................................ 28
Hoofdstuk 14 - Goederenrecht .............................................................................................................. 31
Hoofdstuk 15 – Personen- en familierecht ............................................................................................ 34
Hoofdstuk 16 – Erfrecht ......................................................................................................................... 37
Hoofstuk 17 – Rechtspersonenrecht en ondernemingsvormen ............................................................ 40
Hoofdstuk 18 – Burgerlijk procesrecht .................................................................................................. 44
Hoofdstuk 19 – Internationaal recht ...................................................................................................... 47
, NEDERLANDS RECHT BEGREPEN
Hoofdstuk 1 – Het recht
De vier rechtsgebieden
1. Staatsrecht (grondregels voor organisatie Staat, verhoudingen overheid burger etc.)
2. Bestuursrecht (regels over besturende taak overheid)
3. Strafrecht
4. Burgerlijk recht (regels voor burgers onderling)
Staats- bestuurs- en strafrecht zijn publiekrecht, burgerlijk recht is privaatrecht.
Materieel of formeel recht
Materieel
- Gaat over rechten en plichten. De geschreven wetten zoals wetboek van strafrecht (wat mag
je niet doen?)
Formeel
- Gaat over hoe die handhaving plaatsvindt (zoals strafvordering, vaak dus procesrecht).
Objectief of subjectief recht
Objectief
- Zijn de wetten en regels (dus de geschreven rechten)
Subjectief
- De rechten die je daaruit ontleent.
Dus objectief recht beschrijft iets waar je subjectief recht uit ontleent.
Hoofdstuk 2 – Rechtsbronnen
Rechtsbronnen zijn:
- Wet
- Jurisprudentie
- Verdrag
- Gewoonte
Wet in formele of materiële zin
Wet in formele zin
- Wet gemaakt door hoogste bestuursorgaan (regering en volksvertegenwoordiging) en tot
stand gekomen door procedure die in Grondwet staat beschreven.
Wet in materiele zin
- Alle andere gevallen waarin sprake is van algemeen verbindend voorschrift. Zoals Amvb,
Ministeriële regeling, provinciale verordening.
, NEDERLANDS RECHT BEGREPEN
Hoofdstuk 3 – Volksvertegenwoordiging en regering
Staat: Grondgebied, inwoners bepaalde vorm van overheidsgezag.
Bronnen van het staatsrecht
- Grondwet
o Fundamentele rechten van burgers, positie van volksvertegenwoordiging en regering
- Organieke wetten
o Wetten in opdracht van de grondwet mbt opbouw en inrichting staatsbestel. V.b.:
Kieswet, Rijkswet op het Nederlanderschap, Wet op de Raad van State
- Gewoonte
o Kabinet of minister neemt ontslag als volksvertegenwoordiging geen vertrouwen
meer heeft = gewoonte. Kabinetsformatieproces = gewoonte
- Jurisprudentie
- Internationale verdragen
- Statuut van het Koninkrijk
o Regelt verhoudingen tussen verschillende delen (zoals Caribisch Ned.) van Koninkrijk.
Volksvertegenwoordiging
Is Staten-Generaal = parlement. Bestaat uit eerste en tweede kamer. Kamers zijn de hoogste
wetgever. Hebben wetgevende taak maar ook controlerende, controleren namelijk de regering (alle
ministers + koning). Regering wordt niet gekozen want koningschap is erfelijk en ministers worden bij
koninklijk besluit benoemd.
Kiesdeler
Totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen : 150 zetels = Kiesdeler.
Totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen op een partij : kiesdeler = aantal zetels.
Actief en passief kiesrecht
Actief = stemmen, passief = verkiesbaar zijn.
Eerste kamer
Getrapte verkiezingen (omdat zij via provinciale staten worden gekozen)
Commissies
Elk onderwerp (onderwijs, justitie etc.) heeft commissies waarin elke partij vertegenwoordigd is.
Deze commissies bestaan uit fractiespecialisten.
Kabinetsformatie
1. Consultatie door de fractievoorzitters (advies over welke coalitie wenselijk zou zijn e.d.)
2. Benoeming informateur. (opdracht mogelijkheden tot coalitie. Spreekt vooral met
fractievoorzitters, brengt na slagen verslag uit aan 2e kamer)
3. Benoeming formateur. Deze vormt het nieuwe kabinet en trekt bewindspersonen aan voor
de ministeries. Deze komen van partijen die aan coalitie deelnemen (komen ook van
buitenaf).
4. Constituerend beraad (ministers reageren op beleid en committeren zich hieraan)
, NEDERLANDS RECHT BEGREPEN
5. Benoeming en beëdiging bewindspersonen. (oude kabinet krijgt definitief ontslag, formateur
wordt minpres. Benoemingsbesluiten worden getekend door koning en minpres, ook die van
minpres zelf.
6. Regeringsverklaring tweede kamer. Soort presentatie van nieuw beleid. Gebruikelijk is dat
coalitiepartijen hierover hun steun aan nieuwe beleid toezeggen.