18e eeuw – De Verlichting = Overtuiging dat de menselijke rede het uiteindelijke criterium is bij het
zoeken naar de waarheid.
De gehele werkelijkheid is voor het verstand toegankelijk
Grote aversie tegen bijgeloof, vooroordelen en tegen het geloof in autoriteiten.
De verlichting is door het Humanisme voorbereid.
Bacon en Locke waren vroege voorlopers in de verlichting.
Drie fasen van de verlichting:
- Engelse geleerden, als Locke speelde een rol.
- Hoogtepunt in Frankrijk -> 28-delige Encyclopedie (natuurlijk weten bijeen, 1751-1772)
- Latere verlichting in de Duitse landen.
Immanuel Kant = de verlossing van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te verwijten
heeft. ‘Durf je eigen verstand te gebruiken.’
De ideaal van de rede -> de schepping is met het menselijk verstand te begrijpen. Het menselijk
intellect en de natuur passen bij elkaar als een sleutel op het slot. Daarom is de schepping begrijpelijk
en bijgeloof.
Deïsme = God heeft de wereld geschapen, maar grijpt niet meer rechtstreeks in. -> God is dan de
vooronderstelling van de rede.
Rousseau stelde zich de vraag of de ongelijkheid tussen mensen ‘natuurlijk’ is. Hij constateerde een
feitelijke ongelijkheid in bezit, macht en kennis. Deze verschillen zijn wel in de loop van de tijd
ontstaan en zat niet in de oorspronkelijke aard. -> ongelijkheid is ‘onnatuurlijk’ en ‘onredelijk’.
Overtuiging dat kennis zou leiden tot deugd -> hierdoor moraliserende toon.
De verlichting was moraliserend en pedagogisch:
- Van nature zijn mensen gelijk, maar door de omgeving verschillen ze van elkaar.
- Locke: mens is een onbeschreven blad dat door ervaring werd beschreven.
- Opvoedbaarheid van het individu is het sleutelbegrip van het verlichte denken.
Maatschappijen of Genootschappen van de Wetenschappen zijn typische 18e -eeuwse instellingen
ter verbreiding van de nieuwe inzichten.
Bevrediging van intellectuele belangstellingen was de drijfveer.
18e eeuw kwam een ‘leesrevolutie’. Grote honger naar nieuwe kennis -> ‘de spectatoriale
geschriften’
Tijdschriften die deugden als kern van de religie hadden. Tolerantie was er een van.
Maatschappij van t Nut van het algemeen was belangrijk in Nederland.
Beroemdste pedagoog uit de 18e eeuw was Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Hij had een
zwervend bestaan. Hij hield van de natuur, het eenvoudige leven op het platteland waar mensen
zichzelf konden zijn.
Zijn opvatting van de natuurlijke godsdienst bracht hem tot het standpunt dat kinderen pas met
godsdienst in aanraking mochten komen als ze daar verstandelijk aan toe waren.
Hij ontwierp ook de theorie dat de algemene volkswil richtinggevend moest zijn voor het politiek
handelen. Hij werd hierdoor pleitbezorger van democratie en wegbereider van de Franse Revolutie.
Rousseau was van nature een romanticus, hartstochtelijk en bewust anders dan anderen, een
modern individualist dus, bijna trots op zijn zwakke kanten.