Week 6
Representatie: op basis van de constructie van iemand anders een eigen constructie (beeld) van de
werkelijkheid vormen. Die constructies noemen we ook wel gemedialiseerde beelden.
Kinderen krijgen al heel vroeg bepaalde ideeën over de wereld mee. Zij kopiëren alles wat zij zien en
leren op die manier vanaf heel jong over dingen als man/vrouwverdeling.
Representatie maakt volgens Branston gebruik van:
- Stereotypen: vastliggende ideeën en aannames over een groep of personen. Gaat meestal
op basis van uiterlijke kenmerken.
- Scripts: herkenbare situaties en processen. Volgens Durkin: gedeelde verwachting van wat
gaat gebeuren in bepaalde context en welke uitkomst van deze situatie gewenst of
ongewenst is op basis van eigen constructie.
Stereotypering heeft vier kenmerken:
- Categorisering of evaluatie van een groep, men wordt onherroepelijk in een hokje geplaatst.
- Benadrukken van bepaalde kenmerken van een groep, meestal uiterlijke kenmerken.
- Meestal negatieve evaluatie van de groep.
- Absolute verschillen en grenzen tussen de ‘wij’ en ‘zij’.
Wanneer is er sprake van een tipping point/schakelmoment tussen grappig en niet meer
grappig, maar negatieve stereotypering?
Tussen de twee seksen zijn twee soorten verschillen aan te wijzen:
- Anatomische kenmerken: biologisch bepaald, geslachtsdelen;
- Toegewezen kenmerken: sociaal bepaald, door de maatschappij toegewezen.
Gevolgen van de ondervertegenwoordiging: alternatieve representaties:
- De Zwarte Lijst, met jazz- en soulmuziek.
- Fan fiction: beschreven wat publiek nog had willen zien.
- Via niet gebruikelijke kanalen.
- Subtiele populaire verschuivingen (homokus GTST).