IQ-testen zijn aardig betrouwbaar wanneer een persoon in een
relatief stabiel en gezond milieu verblijft.
Validiteit (juistheid/geldigheid) is erg belangrijk Meten de IQ-
testen wel exact wat we willen dat ze meten?
Predictive validity (=predictieve validiteit) : een beoordeling
van de vraag of een test wel werkelijk meet wat het eigenlijk
dient te meten, gebaseerd op of de testscore in correlatie is
met een ander relevant later gemeten criterium.
IQ-testen kunnen bepaalde voorspellingen maken over:
- Academisch succes
- Succes op de werkplek (objectief en subjectief)
Mensen met hoge IQ scores (over het algemeen) :
- Verdienen meer geld gedurende hun leven
- Hoger beroepsonderwijs
- Leven lang er
- Minder waarschijnlijk kans op auto-ongelukken
- Minder moeite met het opvolgen van instructies van
doctoren.
Maar* de samenhang tussen IQ en levensuitkomsten is kleiner
dan +1.00. Er zijn dus uitzonderingen, en zo heb je ook
mensen met een laag IQ die succesvol zijn met een hoog
inkomen/ goede baan.
Intelligentie is slechts één van de vele factoren die
levensuitkomsten beïnvloeden, en dus is het verband tussen IQ
en levenssucces niet perfect.
Echter is het wel zo dat IQ-testen iets interessants en
resulterend meten.
,H11 Psychology Gleitman
Wat is intelligentie?
Alfred Binet: Iemands score van een IQ-test onthuld zijn
algemene intelligentie, een capaciteit die op elke mentale taak
voordeel verschaffen zou. Dus het meet een capaciteit die je
voor elke taak gebruiken kan.
Veel schrijvers hebben hier een andere kijk op:
Iemands score van een IQ-test laat een niveau van
voltooiing/succes zien geproduceerd door de persoons collectie
van meer specifiekere talenten, en elk talent is relevant voor
sommige gedeeltes van de test, maar andere niet.
Als gevolg, heeft elk persoon een geïndividualiseerd profiel van
zwakheden en sterktes. Een IQ-score is dan een grove
samenvatting van iemands capaciteiten, die gemiddeld laat zien
waar een persoon goed in is en waar een persoon slecht in is.
Psychometric approach to intelligence (=psychometrische
benadering van intelligentie) : Een manier/poging om de aard
van intelligentie te begrijpen door het patroon van resultaten
verkregen van intelligentie testen te bestuderen.
(Houdt in het begin theorie en definities aan de kant)
WAIS (volwassenen) en WISC (kinderen) testen hangen van
vele subtesten af. Er is degelijk een samenhang tussen de
scores van subtesten. Bijvoorbeeld; mensen die goed scoren
op een subtest, lijken het ook goed te doen op andere
subtesten.
De samenhang vertelt ons dat de subtesten afhankelijk zijn van
elkaar; ze overlappen allemaal in wat ze meten.
Om deze overlappingen te documenteren en te meten, zijn
psychologen afhankelijk van een statistische techniek
genaamd: Factor analysis (= factor analyse) : een statistische
methode voor het bestuderen van de onderlinge verbanden
tussen de verschillende testen. Het doel is om te ontdekken of
alle testen beïnvloed worden door dezelfde factoren, of door
verschillende factoren.
, H11 Psychology Gleitman
Als de scores bijvoorbeeld van twee aparte taken
samenhangen met elkaar, dan suggereert dit dat de taken
beïnvloed worden door dezelfde factoren.
Factor-analyses bevestigen dat er een gemeenschappelijk
element is, die gedeeld wordt door alle onderdelen van een IQ-
test.
De verschillende subtesten verschillen in hoe sterk ze afhangen
van dit gemeenschappelijk element, en dus hangen sommige
subtesten sterk af van dit algemene factor, en andere subtesten
weer minder. Toch lijkt deze algemene factor over de hele linie
te bestaan en daarom eindigen alle subtesten samenhangend
te zijn met elkaar.
Charles Spearman zijn hypothesis: De gemeenschappelijke
element is general intelligence(g) (= algemene intelligentie) :
Een mentaal/geestelijk kenmerk dat is verondersteld als
bijdragend aan de opvoering van vrijwel elke intellectuele taak.
Elke individu met een grote hoeveelheid g, heeft een voordeel
in elke intellectuele inspanning/poging. Wanneer er een kleine
hoeveelheid is van g, dan zal het individu op een breed scala
van taken het slecht doen.
g is niet de enige bepalende factor, elke subtest hangt af van g
én van andere capaciteiten die specifiek zijn voor die subtesten.
Bijvoorbeeld: de prestatie op een woordenschat test, hangt af
van de combinatie van g en van de persoons verbale/woordelijk
vermogen.
De scores van alle subtesten hangen dus samen omdat alle
subtesten van g afhankelijk zijn, en dus reflecteren of een
persoon veel of weinig g heeft. De samenhang is dus niet
perfect omdat de prestaties op elke subtest ook afhankelijk zijn
van gespecialiseerde capaciteiten.