Bijeenkomst 2 Opsporing en nemo tenetur.
Opsporing.
Het vooronderzoek (art. 132 Sv) gaat vooraf aan de behandeling ter terechtzitting. De zaak moet in
het vooronderzoek zo veel mogelijk tot klaarheid worden gebracht. De taak van de
opsporingsambtenaren is breder geworden aangezien zij ook actief op zoek moeten gaan naar
mogelijk gepleegde strafbare feiten (art. 126gg Sv). Het gaat vooral om het leggen van een deugdelijke
basis voor de gerechtelijke of buitengerechtelijke afdoening en om het feit of strafrechtelijk ingrijpen
wel aangewezen is. Het vooronderzoek eindigt wanneer de behandeling ter terechtzitting aanvangt.
Het vooronderzoek is gericht op strafrechtelijke sanctionering (art. 132a Sv). De strafvordering begint
met opsporing (art. 132a Sv). Voor het begin van de opsporing is het uitgangspunt het moment
waarop het vermoeden rijst dat een strafbaar feit is begaan. De OvJ heeft een ‘waarborgfunctie’ en is
verantwoordelijk voor de personen onder hem. Hij biedt een waarborg tegen disproportioneel gebruik
van opsporingsbevoegdheden. Hij heeft ook het gezag bij de opsporing (art. 148 Sv). De OvJ moet de
juridische kwaliteit van het onderzoek bewaken en het opsporingsbeleid moet worden afgestemd op
het vervolgingsbeleid. Art. 1 Sv, het legaliteitsbeginsel, betekent dat alle overheidsoptreden dat
belastend is voor burgers moet berusten op een wet in formele zin. Opsporingsactiviteiten zijn
belastend om drie redenen:
1. Er kan gebruik worden gemaakt van dwangmiddelen.
2. Het door de overheid systematisch verzamelen en registreren van gegevens omtrent
personen; privacygevoelig.
3. Het doel is de strafrechtelijke sanctionering van wetsovertredingen.
Bij de opsporing kunnen ook burgers worden ingeschakeldwettelijke basis vereist.
De bevoegdheid tot opsporing is gegeven in art. 141 en 142 Sv. Deze komt toe aan de algemene en
bijzondere opsporingsambtenaren. De taak van de politie is in art. 3 PolW beschreven, namelijk
handhaving van de openbare orde en opsporing van strafrechtelijke feiten. Uit jurisprudentie blijkt dat
art. 3 PolW en art. 141 en 142 Sv een toereikende basis vormen voor opsporingsmethoden die slechts
een beperkte inbreuk op de privacy maken.
Opsporingsambtenaren moeten ten spoedigste een proces-verbaal opmaken van het door hen
opgespoorde strafbare feiten (art. 152 Sv)opsturen naar OvJ (art. 156 Sv)afwachten nadere
bevelen (art. 159 Sv). De functies van het proces-verbaal betreffen:
- Wettig bewijsmiddel (art. 344 Rv).
- Betrouwbaarheid (art. 153 Sv) aangezien de opsporingsambtenaar voor meineed kan worden
vervolgd bij het opzettelijk weergeven van onjuiste feiten.
- De inhoud van het proces-verbaal wordt geselecteerd, waarbij irrelevante dingen worden
weggelaten. De voor de verdachte belastende en ontlastende bevindingen moeten worden
gepresenteerd. De verklaringen van verdachte moeten verder zoveel mogelijk in eigen
woorden (art. 29 lid 3 Sv).
Het OM dient af te zien van strafvorderlijk optreden o.g.v. het algemeen belang (art. 167 lid 2 Sv). Bij
een politiesepot blijft de OvJ toch verantwoordelijk (art. 152 lid 2 Sv).
Typen opsporingsonderzoek.
1. Klassieke opsporing: opheldering van een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit.