Bacteriën en archen, zijn allebei prokaryoten.
Prokaryoten zijn in staat om overal te leven, omdat ze
zich zo goed kunnen aanpassen. Ze kunnen heel
gemakkelijk genetisch materiaal met elkaar
uitwisselen. Ze kunnen dus vreemd DNA opnemen en
dat tot uiting brengen.
Je kunt alles indelen in drie domeinen: bacteriën,
eukaryoten (gewervelde) en archea. Prokaryoten zijn
meestal eencellige, je hebt soms uitzonderingen.
Sommige kolonies vormen draden/ klompjes. Ze
hebben ook allemaal verschillende vormen; rond, pil
of spiraal ect.
Peptidoglycan, peptidoglycaan. Een type polymeer in bacteriële celwanden die bestaat uit
afwijkende suikers die kruis verbonden zijn met korte polypeptide.
Gram stain, gram kleuring. Een kleurigs methode
die onderscheid maakt tussen twee verschillende
soorten bacteriële celwanden. Doormiddel van
een gram kleuring kan bepaald worden hoe de
celwand eruit ziet. Gram kleuring is een soort verf
waarmee de celwand gekleurd word, vervolgens
word het weer schoon gewassen met alcohol en
er een rode kleurstof aan toegevoegd. Is de cel
gram positief heeft de bacterie een dikke celwand. Is de
bacterie gram negatief heeft die een dunne celwand.
Gram positief heeft een dikke celwand en geen
buitenmembraan. Gram negatief heeft een dunne
celwand en een buitenmembraan, in die buitenmembraan
zitten vaak giftige eiwitten. Bij gram positief heb je geen
eiwitten dus ook geen mogelijkheid op aanhechting van giftige
eiwitten.
Capsule, capsule. Een kleverige laag die de celwand van sommige
prokaryoten cellen omvat. De oppervlakte van cel beschermt en helpt
soms om de cel zich aan oppervlakten te laten plakken.
Fimbriae, fimbria. Een kort haarachtig aanhangsel van een prokaryoten
cel die helpt bij het hechten aan een substraat of aan andere cellen.
, Taxis, taxtx. Een georiënteerde prikkel in de richting of weg van een prikkel.
Nucloeid, nucleoide. Een compact DNA- gebied bij een prokaryotische cel.
Plasmids, plasmide. Een klein, circelvormig dubbelstrengs DNA-molecuul dat genen draagt
die additioneel zijn aan die van een bacterieel chromosoom. Plasmiden worden ook in
sommige eukaryoten gevonden.
Prokaryoten hebben minder DNA, het DNA dat ze hebben bevat ook minder eiwitten dan het
DNA van eukaryoten. Prokaryoten hebben 1 grote chromosoom en verder kleine stukjes
chromosoom, die worden plasmiden genoemd. Ze hebben een nucleoid: het kerngebied, dat
word zo genoemd omdat ze samen op een hoopje liggen. Ze kunnen zich heel snel delen, ze
doen er gemiddeld tot 3 uur over. Er zijn bepaalde soorten bacteriën die sporen kunnen
vormen, sporen zijn erg resistent tegen hogen bacteriën.