Het herinneren van afleveringen, algemene feiten,
vaardigheden en procedures/werkwijzen hangen allemaal af
van verschillende geheugen systemen.
Deze verschillende typen van geheugen hebben ook
overeenkomsten.
Elke daad van herinneren moet aan 3 aspecten van het
geheugenproces voldoen;
Leren Je moet iets geleerd hebben, je moet informatie
in je geheugen hebben ‘gestopt. Wanneer je blootgesteld
wordt aan iets maar er nauwelijks aandacht aan hebt
besteed, heb je als gevolg in de eerste plaats, niet
geleerd.
Opslaan Je moet het opgeslagen hebben. Om iets te
herinneren, moet een ervaring geregistreerd zijn in het
zenuwstelsel.
Herroeping, terugkeer (Retrieval) Het proces waarmee
je informatie uit je ‘opslag’ trekt en het gebruikt.
Dit kan in 2 vormen plaatsvinden:
1 Recall (Herinneren) : Een proces waarbij je informatie uit
je geheugen terughaalt, als reactie op een aanwijzing of
vraag. Opstel of toets / korte antwoorden
2 Recognition (Herkennen) : Een proces waarbij een
naam, feit of situatie wordt voorgelegd en gevraagd of je
het al eerder bent tegengekomen. Meerkeuze toets
Acquisition (=verwerving) : Het proces van het
verkrijgen van nieuwe informatie en dit plaatsen in je
geheugen.
Je hebt hierbij 2 types van leren;
- Intentional learning (=bewust/opzettelijk leren) : Het
plaatsen van nieuwe informatie in het geheugen in de
verwachting dat je er later getest op wordt.
,H8 Psychology Gleitman
- Incidential learning (=toevallig/bijkomstig leren) :
Leren zonder dat je überhaupt iets probeert te leren, en
vaak zonder dat je ervan bewust bent dat het leren is
opgetreden.
Het verwerven vereist intellectuele betrokkenheid met het
materiaal (je denkt op een bepaalde manier aan iets) en het is
uiteindelijk het ‘product’ van deze betrokkenheid (wat je
bijvoorbeeld dacht op dat moment) wat wordt opgeslagen in het
geheugen.
We hebben verschillende types van geheugen.
Historisch, worden deze verschillende types beschreven in
termen van ; stage theory of memory. Dit suggereert dat
geheugenverwerving afhankelijk is van 3 types geheugen;
- Sensory memory (wanneer de informatie als eerst
arriveert)
- Iconic memory (voor visuele inputs)
- Ehoic memory (voor auditieve inputs)
- Short-term memory (De plaats waar je je informatie
houdt terwijl je er mee bezig bent)
- Long-term memory (Een groter permanente opslag
plaats)
Tegenwoordig hebben we hier een wat andere kijk op; sensory
memory speelt bijvoorbeeld een veel kleinere rol en er wordt
vrijwel nooit gesproken over de iconic memory.
Ook gebruiken we i.p.v. kort-termijn geheugen de term
working memory (=werk geheugen) : Een term die de status
van gedachten die op dat moment zijn geactiveerd beschrijft.
Je denkt er NU aan
Long-term memory (=lange termijn geheugen) : Een enorme
vestiging/bewaarplaats, die al je kennis en je overtuigingen
waar je op dat moment niet aan denkt (inclusief je overtuigingen
over relatief recente gebeurtenissen) bevat.
, H8 Psychology Gleitman
Ook verschilt het moderne idee van de stage theory in hoe het
geheugen conceptualiseerd;
Oude kijk: het werk geheugen werd vooral begrepen als een
opslag plaats. En vaak werd het beschreven als een laad-dock
net buiten het lange termijn geheugen.
Moderne/nieuwe kijk: het werkgeheugen is geen ‘plaats’ het is
alleen de naam die we geven aan een status. Wanneer we
zeggen dat ideeën in het werkgeheugen zijn bedoelen we
hiermee dat ze op dat moment geactiveerd zijn.
*Deze focus op status, is de sleutel tot het begrijpen van het
verschil tussen het werk geheugen en het lange termijn
geheugen.
De moderne kijk; is het momenteel actief (werk geheugen) of
niet (lange termijn geheugen)
Oude kijk; legt dus meer de nadruk op het tijdsbestek (korte
termijn, lange termijn).
Primacy effect : In het ‘vrij’ herinneren (je mag zelf weten in
wat voor volgorde), het gemakkelijker herinneren van de eerste
dingen/woorden op een lijst, dan deze in het midden.
Recency effect : In het ‘vrij’ herinneren, het gemakkelijker
herinneren van de laatste dingen/woorden op een lijst, dan
deze in het midden.
Er is een limiet, over hoeveel dingen iemand tegelijkertijd kan
nadenken, en dus is er ook een limit in het werkgeheugen.
Volgens vele auteurs is dit limiet 7 (+/- 2), de capaciteit van het
werkgeheugen is daarom ook 7 (+/- 2).