Anatomie Spijsverteringsstelsel
1. Je kent de verschillende onderdelen (orgaandelen) van het spijsverteringsstelsel.
Mond
Keelholte
Slokdarm
Maag
Dunne darm
Lever
Galblaas
Alvleesklier
Dikke darm en de Endeldarm
2. Je kunt de volgende voedingsstoffen benoemen en beschrijven hoe deze worden
verteerd zodat ze door de darm kunnen worden opgenomen: koolhydraten, vetten en
eiwitten.
Koolhydraten/sachariden
Het is een grote stof= Macronutriënten. Deze moeten eerst worden afgebroken voordat ze kunnen
worden opgenomen in de darm
Het is een brandstof, bij verbranding komt er energie vrij en de cellen gebruiken dat om hun taken uit
te voeren.
Het zijn ketens van suikers, een keten is een sachariden.
Een monosacharide is 1 molecuul, 1 mono suiker bijv. Glucose
Een sucrose is een disacharide, 2 monosachariden bij elkaar. Sucrose is een disacharide van glucose
en fructose. Een voorbeeld hiervan is rietsuiker.
Polysacharide is een lange keten van monosachariden, dus veel mono/eentallige suikers bij elkaar. Dit
moet eerst worden verteerd. Na veel splitselingen onstaan er dus monosuikers en dan pas kunnen ze
, worden opgenomen in de darm. Een voorbeeld van een polysacharide is zetmeel wat in aardappelen,
rijst, brood en pasta zit
Vetten/triglyceriden
Ze bestaan uit een stam van glycerol met 3 vetzuren als zijketens
Alleen vetten met kleine vetzuurketen kunnen direct worden opgenomen in de darm. De grotere
vetten moeten eerst worden opgesplitst in glycerol en vetzuren. Deze kunnen dan afzonderlijk worden
opgenomen.
Eiwitten/proteïnen
Het zijn ketens van aminozuren. Deze ketens worden in een aantal stappen gesplist in afzonderlijke
aminozuren en dan kunnen ze worden opgenomen
3. Je kunt de ligging, bouw en functie van de orgaandelen van het spijsverteringsstelsel
beschrijven.
1. Je kent de verschillende onderdelen (orgaandelen) van het spijsverteringsstelsel.
Mond
Keelholte
Slokdarm
Maag
Dunne darm
Lever
Galblaas
Alvleesklier
Dikke darm en de Endeldarm
2. Je kunt de volgende voedingsstoffen benoemen en beschrijven hoe deze worden
verteerd zodat ze door de darm kunnen worden opgenomen: koolhydraten, vetten en
eiwitten.
Koolhydraten/sachariden
Het is een grote stof= Macronutriënten. Deze moeten eerst worden afgebroken voordat ze kunnen
worden opgenomen in de darm
Het is een brandstof, bij verbranding komt er energie vrij en de cellen gebruiken dat om hun taken uit
te voeren.
Het zijn ketens van suikers, een keten is een sachariden.
Een monosacharide is 1 molecuul, 1 mono suiker bijv. Glucose
Een sucrose is een disacharide, 2 monosachariden bij elkaar. Sucrose is een disacharide van glucose
en fructose. Een voorbeeld hiervan is rietsuiker.
Polysacharide is een lange keten van monosachariden, dus veel mono/eentallige suikers bij elkaar. Dit
moet eerst worden verteerd. Na veel splitselingen onstaan er dus monosuikers en dan pas kunnen ze
, worden opgenomen in de darm. Een voorbeeld van een polysacharide is zetmeel wat in aardappelen,
rijst, brood en pasta zit
Vetten/triglyceriden
Ze bestaan uit een stam van glycerol met 3 vetzuren als zijketens
Alleen vetten met kleine vetzuurketen kunnen direct worden opgenomen in de darm. De grotere
vetten moeten eerst worden opgesplitst in glycerol en vetzuren. Deze kunnen dan afzonderlijk worden
opgenomen.
Eiwitten/proteïnen
Het zijn ketens van aminozuren. Deze ketens worden in een aantal stappen gesplist in afzonderlijke
aminozuren en dan kunnen ze worden opgenomen
3. Je kunt de ligging, bouw en functie van de orgaandelen van het spijsverteringsstelsel
beschrijven.