Begrippenlijst natuur en techniek
H4: samenhang in ecosystemen
Biotische factoren: levende organisme.
Abiotische factoren: niet levende natuur.
Ecosysteem: een samenhangend geheel van biotische en abiotische factoren.
Biotopen: gebieden met een uniform landschapstype waarbij klimaat en geografische
omstandigheden hetzelfde zijn,
Habitats: leefgebieden van een organisme.
Concurrentie: tegenstanders die hetzelfde voedsel eten.
Competitie: het concurrentieproces.
Prooi: een organisme dat voedsel is voor een ander organisme.
Predator: eten de prooien op.
Voedselrelaties: de relaties tussen organisme op het gebied van voedsel.
Producenten: organisme die hun eigen voedsel kunnen produceren. (Vb. platen.)
Consumenten: organisme die eerst iets moeten eten om zo aan hun energie te komen.
Planteneters / herbivoren: organisme die alleen planten eten.
Vleeseters / carnivoren: organisme die alleen vlees eten.
Alleseters / omnivoren: organisme die zowel vlees als planten eet.
Toppredator: de laatste schakel uit de voedselketen.
Voedselketen: route van energiestoffen in een ecosysteem.
Voedselweb: in een ecosysteem zitten meerdere netwerken voedselketens, ook wel een voedselweb
genoemd.
Voedselpiramide: een manier om de voedsel verdeling in een ecosysteem weer te geven.
Voedselniveaus: lagen in de piramide.
Vast gelegde energie: aan de basis van de piramide vind je de meeste energie.
Voedselkringloop: al het aval dat de producenten en consumenten achterlaten wordt gerecycled
door de reducenten. En zo wordt de kringloop gesloten.
Reducenten: afbrekers zoals bodemdieren, schimmels en bacteriën die aval omzetten in
voedingsstoffen voor de producenten.
Stooisellaag: de bovenste laag van de bodem met plantaardige en dierlijke resten.
Humus: afgebroken natuurlijk aval dat zich mengt met de bodemlaag.
Wisselwerking: een samenwerking tussen biotische en abiotische factoren die zorgen dat het
ecosysteem dynamische blijft.
Populatie: een groep planten of dieren van dezelfde soort in een bepaald gebied.
Stabiel ecosysteem: veranderingen blijven schommelen tussen bepaalde grenzen.
H4: samenhang in ecosystemen
Biotische factoren: levende organisme.
Abiotische factoren: niet levende natuur.
Ecosysteem: een samenhangend geheel van biotische en abiotische factoren.
Biotopen: gebieden met een uniform landschapstype waarbij klimaat en geografische
omstandigheden hetzelfde zijn,
Habitats: leefgebieden van een organisme.
Concurrentie: tegenstanders die hetzelfde voedsel eten.
Competitie: het concurrentieproces.
Prooi: een organisme dat voedsel is voor een ander organisme.
Predator: eten de prooien op.
Voedselrelaties: de relaties tussen organisme op het gebied van voedsel.
Producenten: organisme die hun eigen voedsel kunnen produceren. (Vb. platen.)
Consumenten: organisme die eerst iets moeten eten om zo aan hun energie te komen.
Planteneters / herbivoren: organisme die alleen planten eten.
Vleeseters / carnivoren: organisme die alleen vlees eten.
Alleseters / omnivoren: organisme die zowel vlees als planten eet.
Toppredator: de laatste schakel uit de voedselketen.
Voedselketen: route van energiestoffen in een ecosysteem.
Voedselweb: in een ecosysteem zitten meerdere netwerken voedselketens, ook wel een voedselweb
genoemd.
Voedselpiramide: een manier om de voedsel verdeling in een ecosysteem weer te geven.
Voedselniveaus: lagen in de piramide.
Vast gelegde energie: aan de basis van de piramide vind je de meeste energie.
Voedselkringloop: al het aval dat de producenten en consumenten achterlaten wordt gerecycled
door de reducenten. En zo wordt de kringloop gesloten.
Reducenten: afbrekers zoals bodemdieren, schimmels en bacteriën die aval omzetten in
voedingsstoffen voor de producenten.
Stooisellaag: de bovenste laag van de bodem met plantaardige en dierlijke resten.
Humus: afgebroken natuurlijk aval dat zich mengt met de bodemlaag.
Wisselwerking: een samenwerking tussen biotische en abiotische factoren die zorgen dat het
ecosysteem dynamische blijft.
Populatie: een groep planten of dieren van dezelfde soort in een bepaald gebied.
Stabiel ecosysteem: veranderingen blijven schommelen tussen bepaalde grenzen.