De buitenste laag van de zon, de fotosfeer,
zendt behalve zichtbaar licht vooral
infraroodstraling(IR) en ultravioletstraling(UV).
Een deel van die straling wordt geabsorbeerd
door de atmosfeer van de aarde.
Het zonlicht wordt door een optische telescoop
opgevangen eerst door een prisma of tralie
uiteengerafeld tot emissiespectrum van de zon.
Dit is een continu spectrum, waarin veel
verschillende kleuren licht vloeiend in elkaar
overlopen. Uit het spectrum van een ster kun je
de oppervlaktetemperatuur bepalen: Hoe hoger
de oppervlaktetemperatuur(Teff) van een ster is,
des te kleiner is de golflengte waarbij de gemeten stralingsintensiteit maximaal is. Teff van
de zon is 5800 K. Jonge sterren hebben een lagere temperatuur dan sterren zoals de zon.
Ze stralen vooral in het infrarood. Koudere objecten in de ruimte zijn onzichtbaar voor
optische telescopen , maar zenden wel infraroodstraling en radiogolven uit. De atmosfeer
van de aarde laat vooral zichtbaar licht door en radiogolven met golflengtes tussen 10 cm en
10 m, infraroodstraling wordt geleidelijk doorgelaten en de andere golflengtes worden
geabsorbeerd. Voor metingen aan infraroodstraling is daarom een infraroodtelescoop op
grote hoogte nodig.
Een pulsar is het eindstadium van een ster met een massa die ongeveer tien keer zo groot
is als de massa van de zon. Aan het einde van zijn ‘leven’ explodeert een dergelijke ster:
een supernova. Na deze explosie blijft een neutronenster over: een ster die alleen uit
neutronen bestaat: Als de ‘brandstof’ (water of helium) voor kernfusie in een zware ster is
opgeraakt, stort hij door de gravitatie in elkaar → er komt energie vrij dat de ster vervolgens
explodeert. De temperatuur van het materiaal in een supernovarest is heel laag. Bij de hoge
temperatuur kort vóór de explosie ontstaan door kernfusieprocessen elementen tot aan ijzer.
Bij explosie worden deze elementen het heelal in geblazen.
Doordat de atmosfeer van de aarde radiogolven in een groot golflengtegebied doorlaat, zijn
metingen aan deze straling met een radiotelescoop op zeeniveau uit te voeren.
Zeer hete sterren en hete gaswolken zenden ook UV-straling en röntgenstraling uit. Gamma
straling komt alleen vrij bij een krachtige explosie zoals een supernova: alleen
waarneembaar door de satellieten want atmosfeer absorbeert het.
Elektromagnetische spectrum bestaat in volgorde toenemende golflengte λ uit
gammastraling, röntgenstraling, UV-straling , zichtbaar licht, IR-straling, microgolven en
radiogolven.
Voor het verband tussen de golflengte λ en de frequentie f van elektromagnetische straling
geldt: λ . f = c. c: lichtsnelheid in m/s
Elektromagnetische straling is energie die als fotonen(golfdeeltjes) met de lichtsnelheid
wordt overgebracht. De fotonenergie Ef hangt af van de frequentie f van de straling:
Ef = h . f. h: constante van Planck