13 HUIDVERANDERINGEN
Als gevolg van huidaandoeningen en huidziekten treden er veranderingen op van de
huid.
Dat noemen we efflorescenties. Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren,
zwellingen en vlekken. De verschijningsvorm geeft informatie over de huidziekte. We
onderscheiden primaire en secundaire efflorescenties. Primaire efflorescenties
ontstaan als een direct gevolg uit een primaire efflorescentie, bijvoorbeeld een zweer
of een korst.
Naam Latijnse benaming
Blaar Bulla
Blaasje Vesicula
Litteken Cicatrix
Korst Crusta
Holte Cysta
Roodheid Erytheem
Ontvelling/schaafwond Exocoriatie
Vlek Macula
Verhevenheid Papula
Puist Pustula
Kloof Rhagada
Schub Squama
Knobbel/bult Nodus/tuber
Zwelling Tumor
Zweer Ulcus
a blaar (bulla)
Een blaar is een holte tussen de lagen van de opperhuid, of tussen de
opperhuid en de lederhuid, die is gevuld met vocht of bloed. Een blaar gevuld
met bloed noem je een bloedblaar. Een blaar is groter dan een centimeter.
b blaasje (vesicula)
Een blaasje is een holte kleiner dan een centimeter tussen de lagen van de
opperhuid, die is gevuld met helder vocht. Bijvoorbeeld bij een koortslip.
c litteken (cicatrix)
Een litteken ontstaat na een diepe huidverwonding: een verwonding die dieper
is dan de opperhuid en doorloopt tot in de lederhuid of de onderhuid. Na zo’n
verwonding vervangt bindweefsel de opperhuid.
d korst (crusta)
Enige tijd nadat de huid beschadigd is ontstaat er een korstje op de huid. Een
korst ontstaat door stolling van lymfe, bloed en etter.
e holte (cyste)
Een cyste is een holte omgeven door een vlies. De inhoud kan waterig of
slijmerig zijn. Een voorbeeld van een cyste is een talgkliercyste. Dit is een
holte gevuld met talg.
Als gevolg van huidaandoeningen en huidziekten treden er veranderingen op van de
huid.
Dat noemen we efflorescenties. Voorbeelden van efflorescenties zijn blaren,
zwellingen en vlekken. De verschijningsvorm geeft informatie over de huidziekte. We
onderscheiden primaire en secundaire efflorescenties. Primaire efflorescenties
ontstaan als een direct gevolg uit een primaire efflorescentie, bijvoorbeeld een zweer
of een korst.
Naam Latijnse benaming
Blaar Bulla
Blaasje Vesicula
Litteken Cicatrix
Korst Crusta
Holte Cysta
Roodheid Erytheem
Ontvelling/schaafwond Exocoriatie
Vlek Macula
Verhevenheid Papula
Puist Pustula
Kloof Rhagada
Schub Squama
Knobbel/bult Nodus/tuber
Zwelling Tumor
Zweer Ulcus
a blaar (bulla)
Een blaar is een holte tussen de lagen van de opperhuid, of tussen de
opperhuid en de lederhuid, die is gevuld met vocht of bloed. Een blaar gevuld
met bloed noem je een bloedblaar. Een blaar is groter dan een centimeter.
b blaasje (vesicula)
Een blaasje is een holte kleiner dan een centimeter tussen de lagen van de
opperhuid, die is gevuld met helder vocht. Bijvoorbeeld bij een koortslip.
c litteken (cicatrix)
Een litteken ontstaat na een diepe huidverwonding: een verwonding die dieper
is dan de opperhuid en doorloopt tot in de lederhuid of de onderhuid. Na zo’n
verwonding vervangt bindweefsel de opperhuid.
d korst (crusta)
Enige tijd nadat de huid beschadigd is ontstaat er een korstje op de huid. Een
korst ontstaat door stolling van lymfe, bloed en etter.
e holte (cyste)
Een cyste is een holte omgeven door een vlies. De inhoud kan waterig of
slijmerig zijn. Een voorbeeld van een cyste is een talgkliercyste. Dit is een
holte gevuld met talg.