Probleem 8. Gender Differences in the Workplace
Leerdoelen:
1. Wat is de invloed van geslacht op beroepskeuze en wat is het glazen plafon?
2. Welke verklaringen bestaan er voor sekseverschillen op het werk?
3. Hoe verschillen mannen en vrouwen in hun perspectief over carrièresucces?
The Gender Similarities Hypothesis
Door J.S. Hyde
De hypothese. De differences hypothesis, welke stelt dat mannen en vrouwen psychologisch
fundamenteel van elkaar verschillen, is zowel bij de media als bij het algemene publiek erg
populair. Toch wordt er in dit artikel een ander idee voorgesteld, namelijk de gender
similarities hypothesis. Deze stelt juist dat mannen en vrouwen in bijna alle (dus niet alle)
psychologische variabelen, hetzelfde zijn.
Rol van meta-analyse bij onderzoeken van sekseverschillen. Meta-analyses hebben
verschillende mythen over sekseverschillen ontkracht waaronder dat meisjes socialer zijn,
makkelijker te beïnvloeden zijn, een lager zelfvertrouwen hebben en minder
prestatiemotivatie hebben dan jongens. Ook is ontkracht dat meisjes beter zouden kunnen
leren en in het uitvoeren van simpele taken en dan jongens dan beter zouden zijn cognitieve
verwerking op een hoger level. De verschillen tussen mannen en vrouwen die wel
teruggevonden werden in de meta-analyses, zijn in vier gebieden in te delen, namelijk verbale
bekwaamheid, visueel-ruimtelijke bekwaamheid, wiskundige bekwaamheid en agressie. Toch
is er dus meer bewijs gevonden voor overeenkomst tussen seksen dan voor verschillen. In dit
artikel wordt er gekeken naar de effect size (in de vorm van Cohen’s d) van verschillen tussen
mannen en vrouwen. Een negatieve d waarde, betekent dat vrouwen hoger scoren op een
dimensie; een positieve d waarde dat mannen hoger scoren.
Het bewijs. In dit artikel zijn de grootste meta-analyses over geslachtsverschillen
meegenomen. Deze zijn in te delen in zes categorieën, namelijk studies die cognitieve
variabelen onderzochten, studies die verbale en non-verbale communicatie onderzochten,
studies die het psychologisch welzijn onderzochten, studies die motor gedragingen
onderzochten en studies die diverse constructen onderzochten (bijv. moreel redeneren). Als
alle effect sizes worden bekeken, is er sterk bewijs voor de gender similarities hypothesis. Van
de 128 effect sizes zijn er vier weggelaten i.v.m. een te grote variabiliteit. De overige 124
effect sizes werden ingedeeld in een van de volgende categorieën: bijna nul (<.10), klein (.11
tot .35), matig (.36 tot .65), groot (.66 tot 1.00) en heel groot (>1.00). 30% van de effect sizes
viel in de ‘bijna nul’ categorie en 48% in de ‘klein’ categorie wat betekend dat 78% van de
geslachtverschillen klein zijn of dicht bij nul liggen! Als je je dan bedenkt dat de meeste
studies die zijn meegenomen de klassieke vragen over geslachtverschillen hebben onderzocht
(bijv. wiskundeprestatie, verbale bekwaamheid en agressief gedrag), is het resultaat zelfs nog
opvallender.
1