Bedrijfseconomie 1: Week 1.......................................................................................................2
Bedrijfseconomie 1: Week 2.......................................................................................................6
Bedrijfseconomie: 1 Week 3.....................................................................................................13
Bedrijfseconomie 1: Week 4.....................................................................................................15
Bedrijfseconomie 1: Week 5.....................................................................................................19
Bedrijfseconomie 1: Week 6.....................................................................................................24
Bedrijfseconomie 1: Week 7.....................................................................................................27
,Bedrijfseconomie 1: Week 1
Jaarrekening: Geeft inzicht in de financiële positie en het resultaat van de onderneming.
Bestaat uit een balans, winst-en-verliesrekening en toelichting.
Balans: Bevat een overzicht van het op een bepaald tijdstip in de onderneming vastgelegde
vermogen (momentopname). Wordt doorgaans in scontro vorm weergeven:
Debet (Activa) Credit (Passiva)
Vaste activa Eigen vermogen
- Grond - Kapitaal
- Gebouwen - Reserves
- Machines - Onverdeelde winst
Vlottende activa Vreemd vermogen
- Voorraden - Land vreemd vermogen:
- Debiteuren Voorzieningen, Obligatieleningen.
- Liquide middelen - Kort vreemd vermogen: Crediteuren,
Rekening courant, Bank.
Totaal vermogen Totaal vermogen
Debet: Geld dat is geïnvesteerd in verschillende bezittingen van de onderneming
(bedrijfsmiddelen/activa).
- Vaste activa: Gaan langer dan 1 productieproces mee.
- Vlottende activa: Gaan 1 productieproces mee.
Credit: Bronnen van het vermogen/ wijze van financieren.
- Eigen vermogen: Wordt door de eigenaren ingebracht.
- Vreemd vermogen: Wordt door derden verschaft.
Evenwicht: De balans is in evenwicht omdat elke bezitting is gefinancierd door eigen of
vreemd vermogen.
- Bezittingen = Eigen vermogen + Vreemd vermogen.
Winst-en-verliesrekening: Geeft de bedrijfsmatige veranderingen in de omvang van het
eigen vermogen over een bepaalde periode weer.
Wordt doorgaans in scontro vorm weergeven:
Winst-en-verliesrekening
Kosten Opbrengsten
(Winst) (Verlies)
Totaal Totaal
Weergave in staffelvorm:
Opbrengsten
-/- Kosten
Resultaat
Winst: Situatie waarbij opbrengsten groter zijn dan kosten.
Verlies: Situatie waarbij kosten groter zijn dan opbrengsten.
Opbrengsten (Baten): Eigen vermogen stijgt hierdoor.
- Ontvangsten: Leiden niet altijd tot een wijziging van het eigen vermogen.
Kosten (Lasten): Eigen vermogen daalt hierdoor.
- Uitgaven: Leiden niet altijd tot een wijziging van het eigen vermogen.
Resultaat: Verschil tussen opbrengsten en kosten. Kan winst, verlies of break-even zijn.
, Bedrijfseconomische beginselen
Accrualbeginsel: Opbrengsten en kosten worden verantwoord in de periode waarop ze
betrekking hebben, ongeacht of ze tot ontvangsten of uitgaven in diezelfde periode hebben
geleid (ook wel aangroei- of toerekeningsbeginsel) (art 2:362 lid 5 BW).
Realisatiebeginsel: Opbrengsten worden toegerekend aan de periode waarin een goed of een
dienst wordt geleverd. Realisatie staat dus los van het moment van ontvangst.
Matchingbeginsel: De uitgaven die samenhangen met de omzet worden als kosten
verantwoord in dezelfde periode als waarin de omzet is gerealiseerd.
Voorzichtigheidsbeginsel: Winsten mogen pas worden genomen als zeker is dat ze zijn
betaald. Verliezen moeten in aanmerking worden genomen zodra ze worden geconstateerd.
Continuiteitsbeginsel: Verondersteld wordt dat de onderneming wordt voortgezet (art 2:384
lid 3 BW).
Afgrenzingsprincipe: De toestand op de balansdatum is beslissend (art 2:362 lid 6 BW).
Beginsel van gelijke stelselmatigheid: De gekozen grondslag moet voor gelijksoortige
posten consistent worden doorgevoerd (art 2:362 lid 2 BW).
Beginsel van bestendige gedragslijn: In opeenvolgende perioden blijven de grondslagen en
hun toepassing alsmede de presentatie gelijk, tenzij er gegronde redenen zijn om af te wijken
(art 2:384 lid 6/ 2:362 lid 4 BW).
Verwerking van financiële feiten: De volgende mutaties doen zich doorgaans voor:
- Ontvangsten geen opbrengsten > EV verandert niet (VB: storting, lening).
- Uitgaven geen kosten > EV verandert niet (VB: inkoop van inventaris,
dividenduitkering, betaling crediteur).
- Geen uitgaven geen kosten > EV verandert niet (VB: inkoop voorraad op rekening).
- Opbrengsten + ontvangsten > EV stijgt (VB: verkoop tegen onmiddellijk betaling).
- Kosten + uitgaven > EV daalt (VB: onmiddellijke betaling bedrijfskosten).
- Opbrengsten geen ontvangsten > EV stijgt (VB: verkoop op rekening).
- Kosten geen uitgaven > EV daalt (VB: afschrijvingen, voorzieningen).
Privé mutaties:
- Storting: Ondernemer stort vanuit privé geld in de onderneming.
- Onttrekking: Gelden uit de onderneming onttrekken voor levensonderhoud door de
ondernemer.
Privé mutaties zijn niet bedrijfsmatig en worden niet in de winst- en verliesrekening worden
verantwoord.
Vermogensvergelijking: Berekening van het eind eigen vermogen door het begin eigen
vermogen te verrekenen met alle privé mutaties die tot resultaat leiden.
Begin eigen vermogen
+ of -/- Resultaat
+ Privé-stortingen
-/- Privé-onttrekkingen
Eind eigen vermogen
- Rechtstreekse mutaties in het eigen vermogen: Privéstortingen en onttrekkingen.
- Winstbepaling d.m.v. vermogensvergelijking wordt toegepast bij enkel boekhouden.
- Nadelen: Geen inzicht in oorzaken van het resultaat, tussentijds inzicht is bewerkelijk,
elke keer moet er een eindbalans worden opgesteld.